Turkije: niet meer bloed op Balkan

ISTANBUL, 12 SEPT. Op initiatief van Turkije heeft de ministerraad van de Raad van Europa zich gisteren in Istanbul voor het eerst uitgesproken over de crisis in Bosnië-Herzegovina. In een gemeenschappelijke verklaring dringen de 27 lidstaten er bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op aan alle middelen aan te wenden om de obstakels die een politieke oplossing van het conflict en humanitaire hulp onmogelijk maken, uit de weg te ruimen.

“Een voorzichtige formulering”, aldus de algemeen secretaris van de Raad van Europa, Catherine Lalumière, “maar die in de toekomst een heleboel kan gaan inhouden.” De Turkse minister van buitenlandse zaken, Hikmet Çetin, verklaarde dat de declaratie een stap verder gaat dan waartoe de EG-conferentie over het Joegoslavische conflict, vorige maand in Londen besloot.

Helemaal tevreden is Turkije evenwel nog niet. Çetin zei dat hij zich blijft inzetten voor beperkte militaire acties in VN-verband, als het conflict in Bosnië-Herzegovina niet op een andere manier kan worden opgelost.

De ministerraad van de Europese Gemeenschap was aanvankelijk naar Istanbul gekomen om zich te buigen over de vraag hoe de relaties met de landen verenigd in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) en Georgië er in de toekomst uit moeten komen te zien. Een initiatief van roulerend voorzitter Turkije, dat zich ontpopt tot een nieuwe regionale macht.

Besloten werd voorlopig te kiezen voor een flexibele aanpak, omdat nog lang geen overeenstemming bestaat over de vraag welke landen niet alleen geografisch, maar ook in cultureel opzicht tot Europa behoren. Dat geldt zeker voor de islamitische Centraal-Aziatische republieken waarmee Turkije goede betrekkingen heeft en in mindere mate ook voor de republieken in de Kaukasus.

Lalumière zei na afloop van de tweedaagse conferentie dat al de voormalige Sovjet-republieken de politieke wil hebben om uit het isolement te breken waarin het communisme hen gevangen hield. “Aansluiting bij Europa”, aldus de algemeen secretaris, “is een manier om dat te bereiken. Een weg die zeker voor de republieken in Centraal-Azië via Turkije loopt.”

De conferentie bood voorzitter Turkije eveneens de gelegenheid om de kwestie Bosnië-Herzegovina ter tafel te brengen. Premier Süleyman Demirel had in zijn openingsspeech al op de plicht van de Raad van Europa gewezen om verder bloedvergieten op de Balkan te voorkomen. Maar met name de lidstaten Frankrijk en Engeland stonden niet bepaald te dringen om zich in krachtige bewoordingen in de Raad van Europa over dit onderwerp uit te spreken, zodat er een uiterst vage compromistekst uit de bus rolde. Engeland probeert de discussies zoveel mogelijk binnen de Europese Gemeenschap te houden, omdat dit land daarvan momenteel het voorzitterschap bekleedt.

Minister Hans van den Broek van buitenlandse zaken kwam gisteren - buiten de twaalf EG-landen om - evenwel met een eigen declaratievoorstel over Bosnië Herzegovina. Nederland kreeg onmiddellijk steun van de landen van het voormalige Oostblok, die eindelijk ook eens de kans kregen om zich over dit onderwerp uit te spreken.