Shetlands stellen zich in op olieloos tijdperk

De Shetlands, enkele honderden eilandjes ten noorden van Schotland, drijven momenteel op de oliewinning. Maar dat is een tijdelijke zaak en de eilanden moeten straks terugvallen op hun vroegere bestaan: de visvangst. De Shetlanders bereiden zich daar al grondig op voor.

SHETLAND, 12 SEPT. Bij Sullom Voe op Shetland, Europa's grootste olieterminal, staan borden die waarschuwen voor overstekende zee-otters, maar vandaag - een stormachtige zondag - vertonen zich slechts krijsende meeuwen en diepzwarte raven. Er liggen twee tankers afgemeerd, een Noor en een Fin, die respectievelijk 130.000 en 80.000 ton ruwe olie innemen, afkomstig van de booreilanden die vele mijlen oostwaarts de brandstof uit de Noordzeebodem putten en via pijpleidingen naar de Shetlands stuwen.

“Door die pijpen”, vertelt havenmeester George Sutherland, “stroomt dagelijks een slordige 150 miljoen liter naar ons toe, maar het is vijftig procent méér geweest, in 1985. We zijn dus al lang en breed over de piek heen en er komt onherroepelijk een tijd dat de bronnen geheel zijn opgedroogd.”

Als het zover is, naar schatting over een jaar of twintig, maar wellicht eerder, zal dat voor de Shetlands vergaande consequenties hebben. De circa honderd eilanden en eilandjes, die de noordelijke uithoek van het Verenigd Koninkrijk vormen en samen 23.000 bewoners tellen, zullen terugkeren naar de toestand van vóór het olietijdperk. Dat betekent niet alleen dat er een eind komt aan de geldelijke revenuen uit deze industrie, een niet te onderschatten bron van inkomsten voor de ruige archipel, maar ook dat er ruim 500, aan de olie gelieerde banen verdwijnen, zodat naar verwachting de visserij, hier vanouds en van nature een hoofdmiddel van bestaan, nog aan betekenis toeneemt.

De Eilandraad, een gezelschap van 25 Shetlanders dat als regionaal bestuur optreedt, is zich volgens voorzitter Edward Thomason ten volle van dat toekomstperspectief bewust en ijvert daarom voor een verstandig beheer en betere bescherming van het zeemilieu, waar immers zoveel eilandbewoners van afhankelijk zijn en nog meer zullen worden. Een kwestie van eigenbelang dus, maar ook iets om mee naar buiten de treden, vindt de Raad, en dat gebeurt op een internationale conferentie, die zich van 30 maart tot 1 april 1993 op initiatief van de Raad in hoofdstad Lerwick afspeelt.

De driedaagse bijeenkomst, waar men 250 afgevaardigden uit diverse werelddelen verwacht, krijgt als motto de "Shetland-standaard' als pretentievolle samenvatting van wat de archipel aan milieuvriendelijke ideeën en plannen of reeds getroffen maatregelen te bieden heeft. “We willen als klein gebied een voorbeeld stellen”, verkondigt Thomason en als we opmerken dat Groot-Brittannië als geheel bepaald geen voorbeeld van milieubewust handelen is, antwoordt de Shetlander magistraat: “Toch moet onze standaard de beste worden die er is, uitreikend boven de richtlijnen van de EG.” En Malcolm Green, hoofd van het 2.300 man sterke ambtelijke apparaat: “Shetland heeft een naam op te houden. Shetland staat voor schoon water en schone lucht. Hier komt ook de beste en vetste zalm vandaan. Met andere woorden: Shetland betekent kwaliteit en dat willen we ook met de Shetland-standaard aan de buitenwacht duidelijk maken. We hebben, kortom, een boodschap voor de wereld.”

De chauvinistische klanken passen bij de eilandgroep, die zich op historische gronden sterker tot Scandinavië dan tot Londen aangetrokken voelt - men voert zelfs een versie van de Deense vlag - en al decennia streeft naar meer zelfbestuur. Tegelijk valt beduchtheid voor een ongewisse toekomst te bespeuren nu de oliestroom, die onmiskenbaar welvaart bracht, langzaamaan wordt afgeknepen door uitputting van de olievelden op zee en toenemende concurrentie van Russische en Vietnamese "crude'.

Toch is het amper twintig jaar geleden dat deze industrie haar stempel op Shetland begon te drukken, terwijl de mammoet-terminal Sullom ("plaats in de zon') Voe (baai of zee-arm) pas dertien jaar in volle omvang bestaat. De nieuwe bedrijvigheid leidde ertoe dat de bevolking groeide van 17.000 naar 23.000 zielen, een aanwas die gedeeltelijk uit andere delen van Groot-Brittannië kwam. Jack Burgess, hoofd ontwikkeling van het eilandbestuur, verwacht dat de meeste immigranten, nu het tij begint te keren, het vasteland weer zullen opzoeken, zodat zijn zorgen zich beperken tot de Shetlanders zelf, speciaal diegenen die hun baan in de olie kwijtraken. “Voor hen moeten we alternatieve werkgelegenheid zien te vinden”, aldus Burgess. “Misschien is er enig heil te verwachten van onlangs getraceerde delfstoffen als goud en koper en ik sluit ook de bouw van een bierbrouwerij of whisky-stokerij niet uit, maar het zal toch allereerst van de visserij moeten komen, in het bijzonder de zalmkweek, die het bij ons voortreffelijk doet.”

Op het ogenblik telt die Shetlandse visserij - visvangst, verwerkende industrie en kwekerijen bij elkaar - circa 1.700 arbeidsplaatsen en daar zullen er ettelijke honderden bij moeten komen om de lokale economisch gezond te houden. “Maar dat vereist wel een zorgvuldiger omvang met de bestanden aan haring, makreel en schelvis”, meent Burgess. “Er zijn ook Shetlandse vissers die de regels aan hun laars lappen, er wordt te veel en te kleine vis gevangen. Dat kan natuurlijk niet zo doorgaan, we mogen uit zee alleen de rente trekken, zodat het kapitaal onaangetast blijft en juist daarom kan de zalmkweek uitkomst bieden. Jammer alleen dat onze overheid in Londen zich weinig om dit soort dingen bekommert, de visserij als industrie telt er nauwelijks mee.”

Een biologisch verantwoorde visvangst is een een van de afzonderlijk onderwerpen op de Shetlandse "wereldconferentie', naast bestrijding van de vervuiling, een veiliger scheepvaart en de toekomstige ontmanteling van booreilanden en pijpleidingen: de "hardware van de offshore', zoals het heet, en voorlopig bron van onenigheid tussen regeringen en olie-industrie. De laatste, hier voornamelijk Shell, Exxon en BP, wil uit een oogpunt van kostenbesparing de installaties slechts tot zeventig meter onder de zeespiegel afbreken en de pijpleidingen laten liggen, terwijl de Britse regering demontage tot aan de zeebodem (gemiddeld nog eens 130 meter dieper) alsook verwijdering van de pijpen nastreeft.

Hier kan Burgess van harte met het centrale beleid instemmen: “Alles wat blijft staan of liggen vormt een gevaar voor de visserij en dan praten we niet eens over al dat boorgruis dat in de loop der jaren over de Noordzeebodem is verspreid. Er zitten olieresten en zware metalen in, bij elkaar een geduchte hoeveelheid, maar misschien kun je die zaak beter laten rusten, want als je erin gaat wroeten, komt de ellende pas goed naar buiten.”

Zover is het voorlopig niet, wat onder meer betekent dat de terminal Sullom Voe nog volop olie verzet, al is het aanzienlijk minder dan in de topjaren '84 en '85. Havenmeester Sutherland, die ons rondleidt, heeft óók zijn maatstaven die deel uitmaken van de "Shetland-standaard', maar dan op nautisch terrein. Hij zou willen dat de rederijen wereldwijd ernst maken met de veiligheid op zee en voor de kust, wat niet alleen levens zou sparen, maar ook het mariene milieu ten goede zou komen.

Sutherland: “Er gebeuren te veel ongelukken, waarbij mensen verdrinken en stookolie in zee stroomt, door navigatiefouten en mechanische defecten, beide te herleiden tot een sterke neiging om de kosten in de koopvaardij te drukken. Het probleem is dat de wereldvloot voor een groot deel bestaat uit oude en versleten schepen, bemand door gebrekkig opgeleid en onderbetaald personeel.”

Een van zijn grieven is het varen onder vreemde vlag, de vlag van een natie die het niet zo nauw met de regels zou nemen, en wat dat betreft had de excursie rond Sullom Voe niet illustratiever kunnen zijn. Sutherland: “Allebei de tankers die je daar ziet liggen, die Noor en die Fin, staan elders geregistreerd” en zijn kijker levert het bewijs: de ene voert de Liberiaanse en de andere de Bahamese vlag.