RAADHUIZEN

Renaissance-raadhuizen boven het IJ door ing. C. Boschma-Aarnoudse 103 blz., gell., Walburg Pers 1992, f 29,50 ISBN 90 6011 779 4

Je vraagt je af wie er ooit op de idee is gekomen om in Noord-Holland te gaan wonen. Van de Noordzee had het gebied weinig last vanwege een duinenrij, maar de Zuiderzee bezorgde de inwoners toch voortdurend natte voeten. Bovendien was het gebied meer water dan land, en op dat kleine beetje viel amper droog brood te verdienen.

Bouwen in steen was vrijwel uitgesloten, of je zakte met huis en al in de blubber. Aan stenen was trouwens een chronisch gebrek: men had er geen steenbakkerijen en de import was kostbaar. Dit alles verklaart waarom er op het platteland zo weinig oude stenen gebouwen zijn.

Het was vaak letterlijk monnikenwerk om Noord-Holland droog te krijgen. Pas na de verdrijving der Spanjaarden werden de inspanningen daartoe goed opgevoerd. De welvaart van de jonge republiek nam toe en zelfs in de dorpen begon men eens over een raadhuis na te denken. Bij gebrek aan eigen onderkomen beraadslaagden bestuurders in de kroeg en het uitvoerende werk deed de desbetreffende klerk gewoon thuis. Dat laatste bleef ook zo nadat de eerste raadhuisjes waren gebouwd: ze waren zo piepklein dat je er eigenlijk niet veel mee kon beginnen. Toch waren het al multifunctionele centra (de brandspuit stond er soms letterlijk op de gang), maar vooral een thuis voor vergadertijgers.

Deze ontwikkeling gaat voor bijna alle plattelandsgemeenten in Noord-Holland gelijkelijk op en vandaar de sterke overeenkomsten in de architectuur. Gebouwd na 1600 dragen alle raadhuizen het karakter van de Hollandse renaissance: opgetrokken in baksteen, versierd met natuurstenen ornamenten en met pannen gedekt. Het grondplan is rechthoekig, en vaak bestaat het gebouw uit niet meer dan één verdieping op een souterrain en met een zolder. De mooiste - die te Graft, De Rijp, Zuidschermer en Jisp - hebben drie trapgevels, en in een enkel geval zelfs een tweede verdieping. Van de drieëntwintig renaissance-raadhuisjes die Noord-Holland ooit hebben gesierd, zijn er nog negen over, de rest is gesneuveld onder de liefdeloze hand van onze voorouders.

Slechts van twee gebouwtjes is de architect bekend: dat van Ransdorp is gebouwd door de Amsterdammer Pieter Pzn van Saerdam, dat van De Rijp door de legendarische Jan Adriaansz Leeghwater. De rest zal door plaatselijke bouwmeesters gedaan zijn, die onderling natuurlijk flink de kunst afkeken, of misschien was het wel één en dezelfde. De gebeeldhouwde ornamenten kon men op de vrije markt kopen of elders in bestelling geven, als het om zoiets specifieks ging als het gemeentewapen. Toch is men er telkens in geslaagd meesterwerkjes van bouwkunst neer te zetten, ""betoonende datse de smerten van de voorleden Eeuw, met de soetigheyt van dese verdreven hebben''.

Met zo'n onderwerp heb je toch goud in je handen, zou je denken. Maar in haar Renaissance-raadhuizen boven het IJ ploegt ing. C. Boschma-Aarnoudse - historisch bouwkundige - zwaarmoedig en schijnbaar ongeïnspireerd door de materie. Als je de inhoudsopgave doorkijkt, lijken alle aspecten wel behandeld te zijn, tot en met de vaak belabberde restauraties. Maar waar Jules Deelder (in Gedicht 4, nov. 1974) nog poëzie kon maken van de bouwkundige beschrijvingen, ontbreekt hier de vreugde. Een prijs voor de typografie is ook al niet weggelegd.

Wat het echter vooral mist, is een speurtocht naar het renaissance-karakter, waar de streek rijkelijk laat mee was als je bedenkt dat elders al volop in het Hollandse classicisme werd gebouwd. De buitenlandse invloeden, vooral de Italiaanse en Vlaamse, in de Noord-Nederlandse architectuur worden wel aangehaald, maar even later ook weer ontkracht door Lieven de Key ""een Hollandse bouwmeester'' te noemen. 's Mans wieg stond echter in Gent en hij kwam pas op zijn 31ste in Haarlem aan. De beklemtoning van de Vlaamse inbreng in de artistieke prestaties van de Republiek moet toch niet een kwestie worden van flaminganten?