ONBEKOMMERD BESTAAN IN AUSCHWITZ

Beelden uit de nacht. Kampherinneringen door Elie Cohen 191 blz., de Prom 1992, f 29,50 ISBN 90 6801 322 X

Kapelmeester van Auschwitz. Muziek uit een andere wereld door Szymon Laks 144 blz., Kritak 1992, vert. Jos den Bekker (Music of an other world, 1989), f 32,50 ISBN 90 6303 375 3

In vroege ooggetuigenverslagen over de nazi-kampen wordt vaak nadrukkelijk aandacht besteed aan de machtsverschillen tussen gevangenen. Gevangenen die macht hadden uitgeoefend, beschouwden dat doorgaans als de normaalste zaak van de wereld en ze beriepen er zich dikwijls op vele lotgenoten geholpen en gered te hebben. Slechts enkelen hadden het over schaamte- en schuldgevoelens. Gewone gevangenen vermeldden de machtsverschillen als vanzelfsprekend of kloegen ze fel aan. Enkele kampproletariërs tilden zó zwaar aan de machtsuitoefening door de "prominenten' dat ze al hun ellende daaraan weten. Zij verloren uit het oog dat de SS uiteindelijk verantwoordelijk was, noemden hun machtige medegevangenen "de ware vijand' en een paar zonderlingen gingen zelfs over tot ontkenning van de holocaust (Paul Rassinier, Pierre d'Harcourt).

Vanaf de jaren vijftig verdween de machtsongelijkheid geleidelijk op de achtergrond. De verwachtingen van het publiek en de publikatienormen waren veranderd. In het collectieve geheugen was een sterk gepolariseerd beul-slachtoffer beeld gegroeid. Getuigenissen die daarvan afweken kwamen lang niet aan bod, tot in de tweede helft van de jaren tachtig het beeld opnieuw werd genuanceerd, onder meer door Primo Levi in De verdronkenen en de geredden. In 1983 nog wees uitgeverij Kritak een bekroond proefschrift over onderling gedrag in de kampen af met het argument dat Ludo van Ecks Het boek der kampen (exemplarisch voor de beul-slachtoffer visie) ruimschoots volstond, dat er geen behoefte was aan supplementaire informatie. Een kleine tien jaar later komt diezelfde uitgeverij met de Nederlandstalige versie van Music of another world van Szimon Laks, een getuigenis waarin SS-ers voorgesteld worden als melomanen en gevangenen als cultuurbarbaren die alleen oog hebben voor eten.

HIGH SOCIETY

Pas verschenen ook is het verslag van E.A. Cohen, een Nederlandse jood die bericht over zijn geprivilegieerde positie als gevangene-arts in Westerbork en Auschwitz. Cohen schrijft over filmvoorstellingen, bokswedstrijden en concerten in Auschwitz-I, zomer 1944. Mooi uitgedoste orkestleden speelden deuntjes voor de SS en voor de vrouwelijke gevangenen in de experimentenbarak. Het hele kamp genoot ervan! Als arts had Cohen "kost en inwoning vrij', met de 2 Mark die hij per week verdiende kon hij in de kantine bronwater en toiletpapier kopen. Op zondagen zonnebaadde hij en sloeg gevangenen gade die zich onledig hielden met kogelstoten en hoogspringen. 's Avonds ging hij blijmoedig naar een cabaretvoorstelling. Dit vrijwel onbekommerd bestaan was het privilege van de dunne bovenlaag van de gevangenenhiërarchie. Cohen behoorde tot die "high society' en hij voelde zich superieur aan het gros van de gevangenen. Hij assisteerde bij selecties voor deportatie (Westerbork) en voor de gaskamer (Auschwitz). Maar in het kamp kwam het nooit bij hem op dat hij slecht of verkeerd handelde. Hij had kampnormen aangelegd en dacht in termen van zelfbehoud.

Enkele kilometers verderop, in Birkenau, zat Szimon Laks in een vergelijkbare positie. Bij zijn aankomst in het kamp ging hij niet meteen de gaskamers in omdat hij behalve als jood ook als homoseksueel was genterneerd (iets wat hij slechts terloops vermeldt). Anders dan het jood-zijn was in de nazi-ideologie homoseksualiteit strafbaar en verbeterbaar. Joden die strafbare feiten hadden gepleegd (verzetsdaden bijvoorbeeld) werden daardoor gendividualiseerd (een strafdossier) en hadden niet zelden daaraan hun leven te danken. Als Poolse jood kon Laks ook op enige clementie rekenen omdat de "prominente' gevangenen in het kamp landgenoten waren. Als vioolspeler en componist kon Laks hen bovendien welkome diensten bewijzen. Hij kwam vrij snel bij het kamporkest terecht en klom op tot dirigent.

Dat kamporkest was van uitstekende kwaliteit. De leden werden geselecteerd uit de massa joden die uit alle hoeken van Europa naar het grootste knekelhuis aller tijden stroomde en daar zaten wereldvermaarde musici onder. De Lagerkapelle zorgde voor de muzikale omlijsting bij het komen en gaan van gewone gevangenen die buiten het kamp slavenarbeid gingen verrichten, 's zondags waren er openluchtconcerten voor SS'ers en gevangenen en op verjaardagen van hooggeplaatste gevangenen werden tegen betaling verzoek-nummertjes gespeeld. Gewone orkestleden waren niet van zware arbeid vrijgesteld, maar de top genoot van overvloed en luxe.

Laks heeft niet de minste last van schuldgevoelens. Ik heb niet met opzet overleefd, zegt hij daarover. Soms zag hij de ellende van lotgenoten nog wel, maar ze moesten "spelen, niet over het lot van anderen treuren'. Niet zelden dirigeerde hij met enthousiasme. Zijn cynische kijk op het kampleven, waarbij de rol van de SS vaak uit het oog verloren wordt, doet vaak aan rationalisatie denken. Bijvoorbeeld waar hij stelt dat gevangenen maar twee mogelijkheden hadden, medegevangenen slaan en martelen of door hen geslagen en gemarteld worden. Hij ontkent fel de beweringen van gewone gevangenen dat het Birkenau-orkest bij executies van teruggegrepen vluchtelingen gespeeld zou hebben en voegt eraan toe dat hij ""het orkest niet vrijpleit, maar [wel] de Duitsers die te veel van muziek hielden om die te gebruiken voor zulke prozasche doeleinden''. De bewering van enkele machtige ex-gevangenen dat muziek de zeden verzachtte, ook in de hel, dat ze het moreel hoog hield, de kracht schonk te overleven, dat het een vorm van (cultureel) verzet was, dàt gaat hem te ver. Hallucinant is zijn verhaal over een kerstdag toen het orkest in de ziekenbarakken De herdertjes lagen bij Nachte en Stille Nacht, Heilige Nacht speelde. De doodzieke gevangenen raakten zeer geëmotioneerd en reageerden verontwaardigd.

BIECHT

Anders dan Laks heeft Cohen na de oorlog wel veel last gehad van schuldgevoelens. Reeds in zijn eerste, beknopte getuigenis (De afgrond, 1971) stonden morele kwesties centraal waarmee hij als bevoorrecht gevangene en arts werd geconfronteerd. Hij bestookt zichzelf voortdurend met verwijten over egosme en lafheid en probeert die dan, enigszins aarzelend, te relativeren. Zijn "biecht' getuigt van veel realiteitszin en psychologisch inzicht en beantwoordt vele vragen die buitenstaanders zich stellen.

Beide ooggetuigenverslagen werpen een schril licht op de paradoxale kampwereld. Cohen getuigt over de "Verrücktenstube' in Auschwitz-I, waar gevangenen die van terreur en verdriet gek waren geworden in dwangbuizen werden gestopt, kalmeringstabletten kregen en als attractie dienden voor machtige gevangenen. SS-artsen in Auschwitz volgden een façadepolitiek, ze hielden de schijn van normaliteit op. Cohen moest tweemaal per dag de temperatuur nemen en de statussen zorgvuldig bijhouden, ook al wist iedereen dat doodzieke gevangenen op elk moment in de gaskamer konden verdwijnen.

Die andere wereld waarin Laks muziek schreef en dirigeerde was dermate paradoxaal dat sommige SS'ers er al in het kamp van overtuigd waren dat als iemand erover zou getuigen niemand hem zou geloven. Een wereld op zijn kop waarin de hoogst geplaatste gevangene een strijd leverde met de kampcommandant omdat die te veel gevangenen van arbeid vrijstelde voor het orkest. Een kampcommandant die voor de uitvoering van een genrestuk over een naderende postkoets, waarin de trompetsolo uit de verte moet naderbij komen, besliste dat de gevangene-solist dan maar buiten het kamp moest beginnen spelen. Een hel waarin SS'ers bepaalde met macht beklede gevangenen moesten intomen omdat ze te veel lotgenoten kreupel of dood sloegen.