NAAR EEN POSTMODERN ANARCHISME

Gebroken Wit. Politiek van de kleine verhalen door Mascarpone (met een inleiding van Hans Achterhuis, een bijlage door Tjebbe van Tijen en illustraties door Marijke Griffioen) 166 blz., gell., Ravijn 1992, f 29,50 ISBN 90 72768 19 1

Waarom heeft het failliet van het communisme tot nog toe zo weinig succes voor het anarchisme opgeleverd? Tenslotte behoorden de anarchisten of libertairen tot de allereersten van links die voor een proletarische dictatuur waarschuwden en behoorden ze ook tot de eerste slachtoffers ervan. Maar toch heeft die overwinning met terugwerkende kracht niet geleid tot een opleving van het anarchisme, zoals die bij voorbeeld in de jaren zestig plaatsvond.

De bundel Gebroken Wit. Politiek van de kleine verhalen geeft antwoord op die vraag. Want in navolging van de filosofen van het postmodernisme houdt het Amsterdamse schrijverscollectief Mascarpone ons voor dat de tijd van de grote ideologieën voorbij is. De hedendaagse burger heeft weinig boodschap meer aan hooggestemde idealen en fraaie toekomstbeloften. Daardoor vallen alle grote ideologieën tegenwoordig in onvruchtbare aarde. Waarom zou het anarchisme op die regel een uitzondering vormen?

Is daarmee het doek gevallen, het anarchisme gedoemd van het toneel te verdwijnen? Mascarpone trekt een andere conclusie. Weliswaar behoort het anarchisme als "groot verhaal' tot een afgesloten tijdperk, maar leeft het libertaire denken en handelen voort in tal van "kleine verhalen'. De bundel is dan ook het produkt van een postmodern anarchisme dat het ideaal van een wereldwijde omwenteling heeft ingeruild voor idealen van bescheidener aard.

Vrijheid blijft onverkort de kern van dit anarchisme. Maar het is volgens de filosoof Hans Achterhuis in zijn inleiding niet meer de Vrijheid van het grote metafysische verhaal uit de traditie van de Verlichting. Het is nu een geheel van kleine, concrete activiteiten die gericht zijn op het ontsnappen aan alle onderdrukkende structuren.

Wat daarmee bedoeld wordt, blijkt het duidelijkst uit het als bijlage opgenomen overzicht van vrije culturele ruimtes. Daarin schetst Tjebbe van Tijen hoe er sinds de jaren zestig een reeks van ontmoetingsplaatsen op de heersende cultuur is veroverd. Die vrije ruimtes van de tegencultuur omvatten niet alleen delen van de straat en gekraakte of aangekochte gebouwen, maar ook de niet-tastbare ruimte die binnen het bereik van de moderne communicatiemiddelen valt.

In zijn bijdrage over technologie wijst Peter van der Pouw Kraan in dat verband naar de mogelijkheden die het alternatieve gebruik van video te bieden heeft: van het vastleggen van politiegeweld door de individuele burger tot niet-commerciële tv-uitzendingen als die van de Amsterdamse StaatsTV / Rabotnik.

ASOCIAAL INDIVIDUALISME

In de overige stukken komen wetenschap (Jean Tillie), seksualiteit (Jansen Schöttelndreiër), ethiek (Marli Huijer) en economie (Freek Kallenberg) aan de orde. De laatste twee bijdragen - overigens de meest academische van de bundel - laten zien dat een postmodern anarchisme niets van doen heeft met een asociaal individualisme, met een libertaire variant van de calculerende burger. Huijer en Kallenberg verzetten zich niet alleen tegen de schijnbare rationaliteit van de postmoderne samenleving, maar beklemtonen tegelijkertijd dat individuele en sociale vrijheid als een siamese tweeling met elkaar verbonden zijn. Zei Bakoenin niet dat de vrijheid van elk individu het steeds hernieuwde resultaat is van ontelbare materiële, intellectuele en morele invloeden van de samenleving?

Vandaar dat beiden pleiten voor vrijwillige samenwerking tussen individuen en groepen individuen. Zo zou via libertaire netwerken buiten de staat en buiten de markt om misschien de "morele economie' uit het pre-moderne tijdperk kunnen herleven, en zouden in ieder geval vrijplaatsen waar produktie en consumptie gehoorzamen aan de wet van de rechtvaardigheid, het leven kunnen verrijken.

De vraag rijst evenwel of zo'n postmodern anarchisme dat zich terugtrekt in culturele en economische vrijplaatsen niet het gelijk van Herbert Marcuse bewijst. Stapt Mascarpone niet in de valkuil van de repressieve tolerantie, en is daarmee niet de angel uit het anarchisme gehaald? Duidelijkheid daarover geeft dit boek niet. Maar tussen de regels valt te lezen dat de idealen van een postmodern anarchisme toch verder gaan dan de "kleine verhalen' van de vrijplaatsen. Vooral Kallenberg en Huijer wekken de indruk het tegenculturele netwerk niet als doel maar ook als middel te zien. Vrijplaatsen zijn niet noodzakelijkerwijs bunkers, ze kunnen ook etalages van een praktisch anarchisme zijn. Een libertair netwerk zou een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van de samenleving, zijn uitstraling zou het ongeloof in idealen doorbreken.

Alle verwijzingen naar postmoderne filosofen ten spijt biedt Mascarpone geen andere perspectieven dan die waarmee een eerdere generatie anarchisten - die van Provo en Kabouter - Nederland wakker schudde. Provo begroef immers als eerste het ideaal van Een Grote revolutie, en Kabouter stimuleerde met de Oranje Vrij-staat het ontstaan van vrijplaatsen. Mascarpone voegt daar geen opmerkelijke ideeën aan toe.