Men kan heel mooi vertellen in Banja Luka

Vijftien maanden Joegoslavische burgeroorlog hebben de stoutste verwachtingen over wreedheid, fanatisme en het aantal slachtoffers overtroffen. Talrijke oude dorpsveten worden in de marge van de strijd op bloedige wijze uitgevochten. Wederzijdse liquidaties door milities of kleine legertjes zijn aan de orde van de dag. Intussen is nog geen van de partijen ook maar enigszins van eerder ingenomen stand teruggekomen. "Iedereen', zegt een hulpverlener in Banja Luka, "wacht op de plaatselijke Kristallnacht.'

"Wat u ziet is de make-up, maar dat is ook alles wat we nog hebben'', zegt de vrouw met de zwarte lijn om haar lippen, als omkransing van haar bloedrode lipstick. De tranen wellen in haar ogen. Ook een vriendin, met dezelfde make-up en even modieus in de kleren, wordt het te machtig. ""Ik had een boetiek hier in de stad'', zegt ze, ""maar op een nacht hebben ze hem leeggeroofd en met twee bommen opgeblazen. Zo heb je alles, zo heb je niets.''

Nu hebben ze honger, en staan ze voor het kantoor van een advocaat, om te proberen wat babyvoeding te bemachtigen. De advocaat is lid van de moslim-hulporganisatie Merhamet. Een vrouw met een kinderwagen is het gelukt, maar nu is de voeding op. De vrouwen maken zich uit de voeten. In de stad Banja Luka is het dezer dagen voor leden van de moslim-bevolkingsgroep niet raadzaam zich langer dan strikt noodzakelijk op straat te begeven, laat staan zich als een groepje te manifesteren.

Banja Luka is een stad aan de vooravond van een drama, dat zich in zoveel andere steden en dorpen in ex-Joegoslavië al heeft voltrokken. De oorlog, met zijn artillerie, fronten en scherpschutters op de rand van de waanzin, zal hier niet zo gauw komen. Al sinds het begin van de oorlog, juni vorig jaar, is Banja Luka, met zijn nu nog 300.000 inwoners, vast in handen van Servische nationalisten. Bijna elke man die je op straat ziet, en dat is bijna altijd een Servische man, draagt een wapen en heeft een uniform aan. Sommigen dragen het met trots, de leden van de reguliere politie, of de leden van de diverse milities met hun vlaggetjes, speldjes en petjes. Anderen dragen het omdat het moet, want elke man tussen zestien en zestig is onder de wapenen geroepen.

""Waar vecht je, tegen de mujahidin of tegen de Hongaren?'', vraagt de ene wapendrager in een café aan de andere. Hij doelt op het front ten Westen van Banja Luka, waar moslim-eenheden standhouden bij de stad Bihac, en de grens met Kroatië. Ook in de cafés in het centrum van de stad zitten nu bijna alleen nog maar wapendragers. Ze zijn allemaal gloednieuw en smaakvol ingericht, want in de steden van ex-Joegoslavië behoorden cafés na de val van het communisme tot de symbolen van nieuwverworven vrijheid. Om een uur of drie 's middags gaan ze dicht, omdat het dan te gevaarlijk wordt op straat. Het dichtstbijzijnde front moge op dertig kilometer afstand zijn, de wapens zijn dichtbij en waar wapens zijn wordt geschoten. Het pittoreske stadje galmt in de namiddag en avond van lustige roffels uit kalasjnikovs en andere wapens, totdat de avondklok om tien uur eindelijk rust brengt over de door electriciteitsgebrek aardedonkere stad. Daarna schiet alleen nog de politie op alles wat beweegt.

Angst

Vijftien maanden Joegoslavische burgeroorlog hebben, zeker voor de meeste buitenlanders, de stoutste verwachtingen overtroffen - wat betreft wreedheid, slachtoffers en fanatisme. Banja Luka staat niet bekend als een ernstige crisishaard. Toch is een dagje rondlopen, en een paar toevallige ontmoetingen, voldoende om de aanvankelijke indruk - een lief Balkan-stadje met een markt en moskeeën naast Servisch-orthodoxe kerkjes - om te zetten in verbijstering, overgaand in angst. Want angst is besmettelijk en ruim voorhanden in Banja Luka. Iedereen, zegt een buitenlandse hulpverlener, ""wacht op de plaatselijke Kristallnacht''.

Hoe die eruit zal zien voor de moslims kun je overal in de omgeving van Banja Luka gaan bekijken. In het dorpje Celinac bij voorbeeld, dat een tijdje geleden in het nieuws kwam door een plaatselijk decreet dat moslims niet meer in de rivier mochten baden, cafés bezoeken of in groepjes op straat mochten praten. De verontwaardiging daarover is achterhaald, want er zijn geen moslims meer in Celinac. Zo'n tien dagen geleden deden enkele plaatselijke Servische strijders, terug van het front, uit woede over de dood van enkele hunner kameraden in de strijd, wat ze misschien al langer van plan waren. Ze plunderden huizen van hun moslim-buren, bliezen ze op met dynamiet, en de plaatselijke moskee erbij. Het aantal doden is onbekend, zeker is dat weer een groep moslims een goed heenkomen heeft gezocht, in de bergen of in de bossen, niemand weet het precies. Rond de belangrijkste moskee van Banja Luka, de Ferhadija-moskee, worden gruwelijke verhalen verteld over Celinac en andere plaatsen - over vaders die gedwongen werden het bloed van vijf voor hun ogen vermoorde zoons te drinken. Men kan heel mooi vertellen in deze streken. Het is alleen vervelend, dat veel verhalen misschien waar zijn.

Celinac, kun je zeggen, is een voorbeeld van de talrijke dorpsveten die in de marge van de oorlog worden uitgevochten. In Herzegovina, vertelde iemand van daar mij laatst, heb je dorpen waar ze de bodycount uit de Tweede Wereldoorlog nog uit hun hoofd weten: het Kroatische dorp a heeft van het Servische dorp b nog zoveel "hoofden' tegoed, en allebei hebben nog een oude rekening te vereffenen met de plaatselijke moslim-gemeenschap in c. Daar is men nu dus druk mee bezig, en al doende ontstaan weer nieuwe rekeningen, om morgen, of over vijftig jaar te vereffenen. Dat is misschien wel het gruwelijkste en het wreedste aspect van de Joegoslavische oorlog, en het moeilijkst in het gareel te brengen.

""Er is weer voor vijftig jaar stof tot moorden'', meende de man uit Herzegovina. Iedereen, Kroaten, Serviërs en moslims, doet eraan mee. Oorlog is voor dit verschijnsel misschien niet het juiste woord, wederzijdse liquidatie moet je eerder zeggen. Sommige van die milities of kleine legertjes, of ze nu Ustasi, Groene baretten of Cetnici heten, zijn eigenlijk geen legertjes, in die zin dat ze aan fronten tegen duidelijk omschreven vijanden vechten, het zijn meer moordenaarsbenden, die 's nachts op stap gaan om de opa en oma van de buren de keel af te snijden. Bekend is bij voorbeeld de "Kroatische stropdas' die de Ustasi bij de Servische buren aanbrengen: met een mes snij je de keel door, om door de opening vervolgens, terwijl het slachtoffer nog leeft natuurlijk, de tong er doorheen te trekken.

Nou goed, dat zijn dorpelingen, wier mentaliteit decennia lang nauwelijks lijkt te zijn veranderd, ondanks al die toeristen die ze zagen voorbijtrekken, ondanks het feit dat ook in de dorpen al jarenlang met grote ijver werd gespaard voor satellietschotels om naar RTL-Plus of SAT-1 te kijken. Misschien is uit al die Amerikaanse films en series toch de indruk ontstaan dat de gang van zaken in de rest van de wereld aardig strookt met de strijdlustige tradities ter plaatse, en dat de rest van de wereld een nummertje bloedwraak wel weet te waarderen.

Maar Banja Luka is geen dorp, en evenmin zijn dat Belgrado, of Zagreb of Sarajevo. Hoe komt het dan dat in Belgrado geen massaal protest heeft geklonken tegen de volksgenoten die elders tot gruweldaden overgaan, dat in Zagreb de Servische bevolking wordt bedreigd en langzaam weggepest en vrijwel niemand daartegen durft protesteren, en dat in het belegerde Sarajevo de feitelijke macht is overgenomen door de onderwereldkoning Jusuf Prazin?

In Banja Luka heeft de plaatselijke warlord, Radoslav Brdjanin, vorige week op de lokale televisie aangekondigd dat er in Banja Luka nog maar plaats zal zijn voor één à tweeduizend moslims, tegen de ongeveer 30.000 nu. Brdjanin noemt zich "voorzitter van de crisisstaf Banja Luka', en geeft decreten uit. Nummer 03.531/92 van 22-06-92 bepaalt dat op alle posten in alle bedrijven waar men de beschikking heeft over "belangrijke informatie' alleen personen van de Servische nationaliteit kunnen werken. Die maatregel betekende het ontslag van alle burgers de van moslim-nationaliteit in Banja Luka. En zonder recht op een werkloosheidsuitkering. Ik heb een beslissing gezien, eveneens van de "crisisstaf', waarin een volgens genoemde bepalingen ontslagen onderwijzeres, met een 26-jarige staat van dienst, een uitkering wordt ontzegd, omdat zij wettelijk immers niet meer mag werken. Het resultaat voor de moslim-bevolking is eenvoudig honger, stille armoede van mensen die niet meer de straat op durven.

Urbane mix

Ik ben vroeger niet vaak in Joegoslavië geweest, maar op grond van de resten van beschaving die je overal aantreft, heb ik van de weeromstuit de overtuiging gekregen, dat het hier vroeger heel leuk geweest moet zijn. Een land van zeer actieve mensen, en overal goede koffie, mooie verhalen en een geweldige drang tot moderniteit. Ik heb het nog net gezien, het Sarajevo van voor de oorlog.

In de Tweede Wereldoorlog was het sefardisch-joodse cultuurelement al geliquideerd, maar het moslim-, het katholieke- en het orthodoxe element waren nog aanwezig, in de gebouwen, maar ook in de mentaliteit. Bewoners van Sarajevo waren zonder uitzondering trots op hun urbane mix, en onder beschaafde mensen was het onbeleefd om te vragen welke nationaliteit een ander had. Het wegvallen van de laatste resten communistische repressie in 1989 bracht in Sarajevo, net als in andere Joegoslavische steden, een opbloei teweeg - weer die postmodernistische cafés, maar ook de beste beeldende kunst en popmuziek van Joegoslavië, en veel eigen bedrijfjes.

Niet alleen de architectuur, werkelijk alles gaat nu kapot onder het geweld van de Servische artillerie in de heuvels. Beneden in de stad neemt de haat de overhand, en Serviërs die generaties lang in Sarajevo woonden, en met hun medeburgers het beleg en zijn gruwelen hebben doorstaan, beginnen nu de wijk te nemen. Als je maar geld hebt, geen dinars natuurlijk maar voldoende D-marken, is dat niet zo moeilijk. De moslim- en Kroatische maffiabenden, die in de straten van Sarajevo de macht hebben overgenomen, weten wel een weggetje.

Waar die stedelijke Serviërs zich zouden moeten vestigen, is minder duidelijk. In ieder geval niet in Banja Luka. Het decreet van de "crisisstaf' aldaar bepaalt ook dat alle Serviërs ontslagen moeten worden, die niet vorig jaar bij het Servische referendum hun stem hebben uitgebracht voor de oprichting van een zelfstandige Servische republiek in Bosnië-Herzegovina of, zoals het decreet het uitdrukt, ""zich nog steeds niet realiseren dat de SDS (de Servische nationalistische partij, red.) de enige vertegenwoordiger is van het Servische volk''. Geen wonder dat ook Servische bewoners van Banja Luka de toekomst met angst en beven tegemoet zien. ""Straks komen tienduizenden bewapende mannen terug van het front, om te merken dat hun stad is verarmd, dat hun leven nauwelijks toekomst heeft'', zegt een stedelijke intellectueel.

Serviërs, moslims, Kroaten - dat klinkt allemaal duidelijk, maar dat is het in werkelijkheid geenszins. Nationalisten presenteren hun volksgroep altijd als een vaststaande identiteit die na lange onderdrukking (door de Turken, door de communisten, door de Serviërs, door de Kroaten, noem maar op) nu dan eindelijk is herboren. In Zagreb heeft een eenvoudig man me er eens van willen overtuigen dat Serviërs en Kroaten tijdens de grote volksverhuizing langs verschillende wegen naar de Balkan waren gekomen. Hij had dat in een boek gelezen. (Pardon, Balkan mag je niet meer zeggen in Zagreb, daar willen ze nu bij "Mittel-Europa' horen.) In werkelijkheid zijn al die nationale begrippen natuurlijk van recente datum. In 1918, bij de vorming van Joegoslavië, waren Kroaten of Serviërs nog maar nauwelijks gangbare begrippen, men sprak eerder over orthodoxen en katholieken. Het wordt nu te gevaarlijk, maar tot voor kort hoorde je nog wel eens iemand zich ""orthodoxe Kroaat'' of ""katholieke Serviër'' noemen.

Achternaam

De grootste noviteit, als nationaal begrip, zijn nog wel de "moslims'. De vrouwen op straat in Banja Luka, met hun geraffineerde lipstick, voelen zich evenveel moslem als de gemiddelde lezer van deze krant. Ze hebben alleen het ongeluk, dat hun voorvaderen behoorden tot groepen die zich eeuwen geleden ten tijde van het Ottomanse rijk tot de Islam hebben bekeerd en dat dit vaak in hun voor- of achternaam tot uitdrukking komt. Een erkende "nationaliteit' zijn de "muzelmannen', zoals men hier zegt, pas onder het na-oorlogse socialisme geworden. Als gevolg daarvan worden ze nu onderscheiden, en gehaat, en verdacht van "fundamentalistische neigingen', iets waarvan vóór deze oorlog nauwelijks iets gebleken is.

Nee, het zijn, ideologisch gezien, meer dan gebrekkige motieven op grond waarvan de partijen in het conflict naar de wapens grijpen, om anderen te verdrijven of te vermoorden. Maar soms lijkt het ook alsof de combattanten nauwelijks een hoger doel nodig hebben om zich in de oorlog in hun element te voelen.

""Wij Serviërs hebben iedere generatie een oorlog'', zegt de boerin, en brengt koffie voor de vrienden van haar zoon, die naast de eenvoudige boerenwoning een machinegeweer hebben geïnstalleerd, in een vermoedelijk vergeefse poging een offensief van de moslims bij Gorazde te stoppen. ""Dubrovnik, dat zijn maar stenen'', zegt de Kroatische strijder, wijzend op zijn stad. ""De geest van Dubrovnik, die verdedigen wij.'' En hij voegt de daad bij het woord: in een daad van heroïek, zonder enige strategische noodzaak, vallen zijn strijders het Joegoslavische leger aan, terwijl het bezig is het beleg van de stad op te heffen. Gevolg: wekenlange artillerieduels, waarbij de stenen - onnodig - veel te lijden hebben.

Nog maar een paar weken, dan zal er sneeuw vallen in de bergen van Bosnië-Herzegovina en wordt het koud in heel ex-Joegoslavië. Toen het vorige week plotseling een paar dagen koud werd, nam de strijd in intensiteit duidelijk af. ""Koude drijft strijders tot vrede'', schreef de onafhankelijke Servische krant Borba hoopvol. Regen heeft trouwens hetzelfde gevolg: in een vrijwilligersoorlog zijn er kennelijk maar weinigen die zich geroepen voelen om in doorweekte staat kalasjnikov of mortier te bedienen.

De intredende winter is ook een goed seizoen voor de buitenlandse vredesstichters: vorig jaar stemden zowel Servië als Kroatië in met de komst van troepen van de Verenigde Naties in de Kroatische oorlogsgebieden. Die zijn er nu, maar bereikt hebben ze nog weinig. De plaatselijke Serviërs hebben hun vechters politiepetten opgezet, om zo hun militaire greep op de gebieden te behouden en de terugkeer van Kroaten naar hun veelal opgeblazen huisjes te verhinderen.

De generaals en andere gezagsdragers in Kroatië laten geen gelegenheid voorbijgaan om erop te wijzen dat uiteindelijke reïncorporatie het einddoel blijft, liefst door de VN-macht UNPROFOR, maar anders door eigen troepen. Achteraf lijkt de rust aan het Kroatische front er ook toe hebben bijgedragen, dat Kroaten en Serviërs al hun aandacht konden richten op de opdeling van Bosnië-Herzegovina.

Bureautjes

Niemand weet precies hoevelen er straks in Bosnië-Herzegovina door het slechte weer na wekenlange of maandenlange zwerftochten uit de bergen tevoorschijn zullen komen, waar ze, naar oude Balkan-traditie, beschutting hebben gezocht voor voorbijtrekkende legers. Tienduizenden, honderdduizenden? Zeker is trouwens dat de legers deze keer niet voorbijgetrokken zijn, maar in het dal zijn gebleven.

""Wij kunnen bijna niets doen'', zegt de buitenlandse hulpverlener in Banja Luka. ""Honderdduizenden zouden wel willen vluchten, maar er is geen land dat ze hebben wil.'' Kroatië weigert nu, behalve de moslims, ook de ethnisch-Kroaten uit Bosnië-Herzegovina, aan wie de Kroatische president Franjo Tudjman nog niet zo lang geleden de ""dubbele nationaliteit'' (die van Kroatië en van Bosnië-Herzegovina) beloofde. De moslims hier in West-Bosnië vinden, voor zover ze geld hebben, soms toch nog hun weg door de linies aan de noordzijde, door tussenkomst van schimmige, soms half-officiële bureautjes die tegen veel geld, D-marken natuurlijk, visa voor het buitenland en vrijgeleide door het front beloven. Anderen worden door groepen gewapende Serviërs eenvoudig in zuidelijke richting het front overgeschopt, naar de door moslim- en Kroatische eenheden gecontroleerde gebieden. Ook daar is het echter niet helemaal pluis voor moslims - vaak komt het tot gevechten tussen de nominale bondgenoten. Duizenden anderen zitten nog steeds in kampen, alle vrome beloften over vrijlating ten spijt.

""Denkt u dat het een Derde Wereldoorlog komt?'', hoor ik vaak vragen. Met een zekere graagte stellen de strijdende partijen hun oorlog vaak voor als een geraffineerd spel tussen de grootmachten op de Balkan, alsof het nog 1914 is. Het antwoord stelt onveranderlijk hevig teleur - dat het vermoedelijk niet eens tot een buitenlandse interventie komt, laat staan dat de grootmachten hier hun belangen op het spel vinden staan. De buitenlandse betrokkenheid, desnoods dan maar in de vorm van waarnemers, vredesmacht of conferenties, vinden de partijen machtig interessant. Ook voor de mannen te velde vormt de aanwezigheid van buitenlanders een welkome afwisseling, vooral als zich de gelegenheid voordoet op hen te schieten, en daar dan een andere partij de schuld van te geven.

Dertien doden en 258 gewonden heeft UNPROFOR, de vredesmacht van de VN al geregistreerd in Kroatië en Bosnië-Herzegovina. Op een schip naar Split kwam ik laatst de Deense EG-waarnemer tegen, die vorig jaar voor het hoofdkwartier van het vijfde militaire district in hartje Zagreb verrot werd geschoten door Kroaten. Welke lezer kan zich nog herinneren in welke context dat precies gebeurde en wie realiseert zich eigenlijk dat er aan de Kroatische fronten nog steeds waarnemers van de Europese gemeenschap zijn? De Deen kan zich het gebeurde nog zeer wel herinneren, want zijn linkerbeen kan hij niet meer gebruiken. Hij ging voor twee maanden terug naar een post in Dalmatië, om zichzelf als beroepsmilitair te bewijzen dat hij nog durfde. En op een gevaarlijke post: ongewapend de wacht houden in een dorpje met louter nog Servische bejaarden, dat Kroatische vechtersbazen steeds dreigen in te nemen.

Standpunten

Durf, dat kan veel Joegoslaven niet worden ontzegd. Op tweehonderd meter van de plaats waar men elkaar per geweer of mortier om zeep probeert te helpen, is soms de dorpswinkel open en wordt brood verkocht. In corridors van slechts enkele kilometers tussen twee fronten worden geregelde busdiensten onderhouden. En vooral, vooral is in het hele conflict tot nu toe nog niemand op eerder ingenomen standpunten teruggekomen, zelfs de naar herstel van haar gezag strevende regering in Sarajevo, die niet meer in handen heeft dan internationale erkenning en een paar belegerde steden.

Onder de vastberadenheid gaat echter veel wanhoop schuil en vooral de stedelijke middenklasse is voornemens de benen te nemen, of heeft dat al gedaan. Deels wordt hun uittocht ingegeven door de dramatische daling van hun koopkracht, maar er is ook zeker sprake van alleszins gerechtvaardigd pessimisme over de toekomst.

""Wat is dit voor een land, waar we misschien nog wel tientallen jaren oorlog en terrorisme moeten ondergaan?'', meent een professor in Zagreb.

De Servische intellectueel in Banja Luka droomt van emigratie naar Nederland: ""Van mij mogen ze schieten wat ze willen, maar ik heb de verantwoordelijkheid voor mijn gezin.''

In Belgrado, waar tot nu toe de oorlog nog ver weg leek, kopen velen nu wapens, ter zelfbescherming bij vaag voorvoelde catastrofen, of dromen van een vertrek naar vreemde oorden.

""Waar moeten we heen, we kunnen nergens heen'', zegt de voormalige boetiekhoudster in Banja Luka, en plengt nog een traan. Een land gaat naar de donder, de rest is make-up.

    • Raymond van den Boogaard