Ik dacht dat ik zou

"Zou ik even een minuutje van uw tijd mogen?' vraagt de stem in de telefoon, met een intonatie waardoor je denkt: Ja, hoor es, ieder minuutje is er één. U begrijpt dat nog niet zo goed maar als u tijd van leven hebt komt u er ook nog wel achter. Maar vooruit.

Aan de andere kant van de lijn spreekt de secretaris van de vereniging, de universele secretaris van de universele vereniging. ""Op 12 april houden wij onze jaarvergadering en we hadden gedacht dat het leuk zou zijn als u daar een praatje hield over dat onderwerp waarover u toen hebt geschreven.''

""Maar 12 april is al vijf maanden voorbij.''

""Nee, 12 april 1993.''

In dit gesprek zijn twee Nederlandse verschijnselen verenigd: de zucht naar beleefdheid die zich toont als omzichtigheid, en de behoefte aan zekerheid.

""Waarom vraagt u mij?''

""We dachten dat u de geschikte persoon was.''

""Maar dan hoeft u me toch niet meer op te bellen?''

""Hoezo?''

Zal ik het uitleggen? Nu ook een minuutje van zijn tijd nemen, voor mijn plezier?

""U hebt gezegd dat u het dàcht. En dat ik het wàs. Dus u denkt het niet meer en ik ben het niet meer. Dan hoeft u ook niet meer te bellen.''

Stilte. Je hoort hem denken: ik heb een zonderling gebeld, of erger. Hoe kom ik van hem af, en wat bedoelt hij. Dan breekt de zon weer door. ""Hahaha. Ja, nou, maar we zouden het op prijs stellen als u kwam.''

""U bedoelt: We stellen het op prijs als u komt.''

""Ja, zo zou je het kunnen uitdrukken.''

Er is geen beginnen aan.

""Iets anders'', zeg ik. ""Het is nu september. Volgend jaar is heel ver weg. Er kan van alles gebeuren. Met u, met mij.''

""Uh, ja.''

""Dan is het verstandiger in 1993 nog eens te bellen.''

""Maar we zouden het graag zo vlug mogelijk rond willen hebben, met het oog op de plenning.''

Ik leg deze vriendelijke meneer uit dat zijn behoefte aan zekerheid lijnrecht indruist tegen mijn vormen van bijgelovigheid en dat ik dus niet op zijn vererend verzoek inga en ik wacht af: hoe zal hij een eind aan het gesprek maken. Hij verzint nog een paar plichtplegingen in de onvoltooid verleden toekomende tijd en zegt ""Dag''.

Hoe komt het dat in de Nederlandse vraag en ook in het Nederlandse voorstel (""Ik dacht dat het zo zou moeten'') de tegenwoordige tijd vrijwel is verdwenen? Hoe komt het dat de constructie die begint met ""ik denk'' of ""het lijkt'' het wint van de directe constatering? Hoe komt het dat steeds meer mensen steeds eerder willen weten wat er steeds later zal gebeuren?

Het komt doordat de beschaving van de consensus, en de zeden en gewoonten van de verzorgingsstaat steeds dieper in het dagelijks leven doordringen. Zoals nu weer op de Achterpagina van deze krant door buitenlandse journalisten is vastgesteld, willen de meeste Nederlanders leven in het geloof dat ze het met elkaar eens zijn. Om die schijn te bewaren moeten ze de directheid in het onderling verkeer zoveel mogelijk vermijden. De taal biedt daarvoor een aantal mogelijkheden waaronder alle vormen van de verleden tijd. Wie zegt dat hij ""gedacht heeft'' kan, als dat verkeerd uitpakt, nog altijd verklaren dat hij nu iets anders denkt. Dat is geen bewust toegepaste truc; het is een tot automatisme geworden gewoonte om alles wat op een confrontatie zou kunnen uitlopen, in te zwachtelen. Het met de deur in huis vallen is in onze beschaving nooit gewaardeerd; het is nu vervangen door een achteruit naar binnen kruipen. Het doet de taal geen goed.

De verzorgingsstaat heeft voor alle Nederlanders al de collectieve agenda voor hun hele leven geschreven. Daaraan zijn ze gewend geraakt. Geen wonder dat ze nu hun persoonlijke agenda ter hand nemen om hetzelfde te doen. We moeten dat niet onderschatten. Het duurt lang voor een gewoonte is geworteld, maar de nieuwste geschiedenis die bijna een halve eeuw geleden is begonnen, toen in de collectieve agenda onontkoombaar werd vastgesteld dat met 65 jaar voor een Nederlander aan de AOW niet viel te ontsnappen, zet zich nu voort tot in de verenigingsagenda's die je vijf maanden tevoren willen boeken ter opvrolijking van hun jaarvergadering. In de voltooid verleden toekomende tijd beweegt het volk zich rustig naar de zekerheid van de volgende eeuw.

Het is ongeveer het perspectief dat onlangs op andere manier door het Sociaal en Cultureel Planbureau is geschetst.

Vogelverschrikkers

De vogelverschrikkersbibliografie vermeldt deze week twee nieuwe titels:

Hans Silvester, Wächter der Felder. Degene die mij op dit boek attent maakte, heeft er een buitengewoon mooie foto van een vogelverschrikker op de fiets bij ingesloten. Het boek is waarschijnlijk al een poosje geleden verschenen want het heeft bij De Slegte gelegen.

Valerie Littlewood, SCARECROW! 1992, verschenen bij Dutton, besproken in Publishers Weekly, 31 Augustus 1992.

We hebben er nu vier; er moeten er meer zijn.