IBERISCHE VLUCHTROUTE

Enkele kanttekeningen bij de bespreking in uw Zaterdagse Boekenbijvoegsel van 5 dezer over het boek van Patrik von zur Mühlen lijken op hun plaats om het Nederlands belang bij de Iberische vluchtroute in de oorlogsjaren 1940-1945 te belichten.

In het aanvankelijk onbezette deel van Frankrijk, het Vichy-Frankrijk, werden de Nederlandse belangen, dat wil dus zeggen van de regering in Londen, behartigd door dr. A. Sevenster, in Vichy, de heer Testers in Toulouse en de heer J.W. Kolkman in Perpignan in respectievelijk de rang van zaakgelastigde en de beide laatsten als consul. In de maanden september en oktober 1942 mocht ik met de heer Kolkman medewerken om een betere vluchtroute op te zetten. Vele van deze routes, zoals Cerbre-Port Bou en via Andorra waren te zeer bekend en hierdoor zeer riskant geworden. De Franse gendarmerie, voor zover trouw aan de Vichy-regering, arresteerde ieder, die illegaal de grens wilde passeren en plaatste deze dan in een als provisorische gevangenis ingericht gebouw, hetgeen mij ook is overkomen. Kolkman hield terdege rekening met een Duitse bezetting van het onbezette deel van Frankrijk en zei mij nog begin november 1942 dat hij dan zijn leven niet zeker achtte. Toen op 11 november 1942 de radio berichtte dat de Duitsers op die dag onbezet Frankrijk bezet hadden, kwamen op dezelfde dag tegen 10 uur des ochtends reeds twee Duitsers vergezeld van 2 Franse gendarmes mij op mijn hotelkamer in Perpignan verhoren. Dank zij een slimmigheid van de Franse gendarmes, die dus "goed' bleken te zijn, werd het verhoor om 12 uur onderbroken, hetgeen mij gelegenheid gaf te ontsnappen. Ik besloot de laatste op touw gezette vluchtroute nu zelf te proberen, noodgedwongen weliswaar. Om Kolkman niet in gevaar te brengen, nam ik geen contact meer met hem op. Desalniettemin werd Kolkman in januari 1943 gearresteerd en na een kort verblijf in een Duits kamp overleed hij tijdens transport naar een ander kamp. Zijn lijk werd aan de kant van de weg gevonden. Posthuum is hem een Amerikaanse onderscheiding verleend en het Franse Croix de Guerre in 1948. Van een Nederlandse onderscheiding is mij niets bekend.

De tocht nu over de Pyreneeën, die ik zelf heb meegemaakt, was een verschrikking. Van een groep van bijna 30 mensen kwamen slechts vier in Spanje aan en de hoofdoorzaak waren de z.g. "passeurs', die in grote vaart in het nachtelijk donker door de bergen gingen en om het uur wisselden. Zij trokken zich er niets van aan of de mensen hen konden volgen, maar vroegen wel telkens geld of sieraden vóór zij begonnen.

Het ging hun er uitsluitend om geld te verdienen, maar dat was ons al verteld toen wij nog aan de Franse zijde waren. Men zei ons zeer uitdrukkelijk er voor te zorgen goed "fit' te zijn, geen bagage mee te nemen, alleen wat suikerklontjes en een heupflesje cognac als voeding en drank. Bij onze groep waren ook wat oudere mensen en enkelen bleken niet zo goed ter been te zijn. Deze waren wij in het donker waarschijnlijk al spoedig kwijt. Het was niet uitvoerbaar om je daar rekenschap van te geven, omdat je achter elkaar liep met enkele meters afstand van elkaar. Die nachten - namelijk drie - waren er ook geen sterren en evenmin maanlicht. Na aankomst in Spanje bleek onze route goed uitgestippeld te zijn; wij kwamen bij een klein dorp, van waar uit om 3 uur des morgens een posttreintje naar Barcelona vertrok en op dat treintje was nooit controle door de Guardia Civil, zodat we keurig ongehinderd in Barcelona arriveerden.

De Nederlandse (honorair) consul, Kriens genaamd, bij wie we ons onmiddellijk meldden, vroeg ons bits en onaangenaam, of we maar niet beter naar Nederland zouden teruggaan, hij kon (of wilde) niets voor ons doen. Het Engelse consulaat echter hielp ons onmiddellijk en gaf ons Britse paspoorten, waarmede we ongehinderd naar Madrid konden reizen en daar de paspoorten bij het Britse gezantschap weer moesten inleveren. Bij het Nederlandse gezantschap kregen we weer goede paspoorten en ik heb in de enkele maanden dat ik daar verbleef ook veel gehoord over het Campo Mirando do Ebro en het vrij grote aantal Nederlanders dat zich daar bevond, waaronder velen afkomstig uit Curaçao. Het eten was daar slecht, de behandeling niet best, maar van mishandeling werd niets gehoord. De toenmalige gezantschapsraad Jhr. Van Panhuys en de toenmalige Consul-Generaal de heer De Bruyn Tengbergen deden veel om de gevluchte Nederlanders te helpen, dit in tegenstelling tot Kriens in Barcelona en ook in tegenstelling tot de toenmalige gezant van Schuller tot Peursum, die zich nooit liet zien, wel zijn echtgenote, die zich tot onze verbazing op recepties vertoonde in gezelschap van een jonge Duitse gymnastiekleraar, verbonden aan het Duitse gezantschap in Madrid. In verband met de Iberische vluchtroute zijn de activiteiten van Kolkman en Van Panhuys en De Bruyn Tengbergen zeker de moeite waard om met ere te worden vermeld.

Noot:

Uitgebreid heb ik over de vluchtroute geschreven in een kortgeleden door mij geschreven en in eigen beheer uitgegeven boek "Nederlandsers in bezet gebied en in Londen 1940-1945, dat tegen betaling van ƒ 10,- op mijn postrekening 2035201 toegezonden wordt.