Het publieke ongenoegen

Het politieke seizoen begint weer. De politieke partijen krijgen de gelegenheid in dit laatste volledige parlementaire jaar de balans op te maken, te oogsten en na te denken over de politieke agenda voor de verkiezingen. Diezelfde partijen zien zich geconfronteerd met een groeiende desinteresse van hun kiezers. Het publiek haakt af, doet niet meer mee, ontwikkelt hier en daar regelrechte afkeer van de politiek. Het gaat om een Westers verschijnsel, dat ook in Nederland waarneembaar is en vraagt om debat en algemene beschouwing: het publieke ongenoegen.

Met intellectuelen en publicisten is het soms oppassen geblazen. Zij beschikken onder meer over de macht van het publieke humeur. Ze hebben de tijd om boeken en tijdschriften te vullen en als "leden van de klagende klasse' een stempel op het publieke klimaat te drukken. De werkelijkheid kan weliswaar een heel andere zijn, namelijk een samenleving vol betrekkelijk gelukkige mensen met betrekkelijk stimulerende bezigheden en hobby's, maar dat is niet de werkelijkheid die de gepubliceerde opinie dan weet te vertolken.

Maar ondanks zulke reserves die een mens altijd moet hebben tegen wat hij hoort, leest en ziet, is er waarschijnlijk wel degelijk een dieper liggende publieke afkeer van de publieke zaak, de "Ross Perot'-factor is in elk Westers land aan te wijzen. Opkomstpercentages bij verkiezingen dalen al geruime tijd, het vertrouwen in de overheid is geringer dan sinds decennia het geval is geweest en referenda en opiniepeilingen laten een groeiende behoefte zien om de politieke elite een dreun te geven. Premier Lubbers signaleerde recentelijk een “publiek chagrijn”.

Er vallen argumenten te rangschikken om aan te tonen dat het publieke ongenoegen meer is dan een handzaam begrip voor een vluchtig verschijnsel. Natuurlijk, dat is het ook. Na regen, komt zonneschijn, na een economische hausse een economische stagnatie, na de euforie van Europa '92 de terugslag, na de champagnekurken op de Berlijnse muur de kater. Dat waait ook wel weer over. Tegelijk is er sprake van een moeilijk exact te omschrijven soort radeloosheid. Wat het precies is weet niemand. De één wijt het aan het einde van de Koude Oorlog, de ander aan The end of history, de derde aan de consumptieverslaving, de vierde aan het algehele verlies aan collectieve bindingen en doelstellingen.

Hoe uit het ongenoegen zich? Voorzover nu te zien is in elk geval niet in revolutionaire bevlogenheid. Een kwart eeuw geleden, trefwoord 1968, was er buitenparlementaire oppositie geweest, verzet tegen regenten, behoefte aan een mars door instituties en een veroveringsdrang, die zich tooide in de gedaante van democratisering. Daar is nu weinig of niets van te merken. Wat de studenten betreft, zij zitten aan de zijlijn en slaan, voorzover studie en carrière-planning en curriculum-vitae-besognes daar gelegenheid toe geven, de bonte stoet ontevreden burgers af en toe verbaasd gade. Het zijn nu vooral de burgers zelf die het ongenoegen ventileren. Die burgers roepen tegen hun politici dat het tijd wordt om wat te doen, maar tegelijkertijd is elke consensus over doel en richting afwezig, zodat de burger vooral zijn eigen hulpeloosheid etaleert en de arme politicus daarvoor de rekening laat betalen. Want die politicus doet niets en als hij iets doet, is het mis, want het is nooit goed.

Er bestaat inmiddels een algemeen aanvaarde wijsheid die zegt dat de afstand tussen burger en politiek te groot is geworden. Je hoort het hier, maar ook in andere Westerse landen, waar poujadisten opstaan om ermee hun voordeel te doen. Voor Nederland is dat eigenlijk een komische vaststelling - die afstand tussen burger en politiek. Dit land kent weinig terreuraanslagen, politici lopen vrij rond, ze gaan zaterdag zelf naar de bakker, zitten in de trein, wandelen een blokje om en vangen soms zelfs hun eigen dieven. Er is praktisch geen land in de wereld met zo'n volmaakt ideale situatie van feitelijke, fysieke nabijheid tussen politiek en burger en onderwijl valt elke week wel ergens te lezen dat de afstand zo groot is. Toch gaat het hier niet om zomaar een modieuze klacht van de klagende klasse, want de “afstand tussen politiek-en-burger” is een eufemisme dat een veel vervelendere werkelijkheid verhult. Namelijk dat er geen afstand bestaat tussen burgers en politici maar dat ze beiden eigenlijk het gevoel van richting en regie kwijt zijn, dat ze beiden vermoeden dat niemand in de staat overzicht heeft op grond waarvan afwegingen kunnen worden gemaakt en knopen doorgehakt. De klaagzang over de afstand tussen kiezer en gekozene is in werkelijkheid een eufemisme voor collectieve verlamming.

Wandel een willekeurige middag het gebouw van de Tweede Kamer binnen. Vijf specialisten van de Kamerfracties debatteren met een minister. De specialisten hebben een professionele (semi-)ambtelijke achtergrond in het desbetreffende vakgebied en zijn nu Kamerlid. De minister weet intussen ook al heel wat van het vakgebied dank zij de ambtenaren die voor rapporten, documenten en spiekbriefjes zorgen. Verder is het leeg. Andere Kamerleden bereiden hun begrotingsweekje voor, amdere ambtenaren ook. Bekwame mensen zijn het over het algemeen die hun huiswerk doen. De generalist-toeschouwer begrijpt er dan ook niet veel van, maar de redeneringen en meningsverschillen zijn bij nadere bestudering meestal toch wel logisch. Zou dat het probleem zijn, dat het allemaal wel klopt, maar dat de burger meestal niet begrijpt wat zich op overheidsniveau afspeelt? Dat speelt ongetwijfeld een rol, maar een bescheiden rol, want zodra iets er werkelijk toe doet is het in een democratie meestal niet ingewikkeld meer.

Vijf jaar ingewikkeld gegoochel met formuleringen kon bijvoorbeeld niet verhinderen dat het beslissende debat over de plaatsing van kruisraketten zonneklaar was. En als het ingewikkeld blijft, gaat de burger gewoon op zijn instinct af: naarmate het plan-Simons meer deed denken aan drammerigheid keerden de kansen van het plan. Nee, het gevoel van collectieve verlamming sproeit uit een andere bron omhoog dan uit die dooddoener van “een samenleving die steeds complexer wordt”: Nederland wordt begeleid - niet geleid - door een reusachtige, amorfe bureaucratie van departementen, adviesraden, publiek-rechtelijke instellingen en belangenorganisaties.

Wie maar een beetje de gang van zaken bij de WAO heeft gevolgd, kan zich daar iets bij voorstellen. Over het algemeen combineren de diverse instanties ieder voor zich goede bedoelingen met lijfsbehoud. Aan het hoofd ervan staat eigenlijk niemand al is er in elk gebouw wel een directievleugel of zo, maar die beheert doorgaans de lopende zaken, niet de richting waarin gelopen wordt. Iedereen is voorts druk bezig om de consensus te verlengen op grond waarvan het voortbestaan wordt gelegitimeerd. In zekere zin zou men kunnen zeggen dat in Nederland - maar hier niet alleen - de nachtmerrie van Max Weber werkelijkheid is geworden. De grote Duitse socioloog heeft honderd jaar geleden een scherpe analyse van het verschijnsel bureaucratie gegeven, die een eeuw later, levend in West-Europa, niet anders dan met de schrik van de herkenning valt te lezen. Een bureaucratie, zo constateerde Weber, hoort bij een democratie, want een bureaucratie kent geen loyaliteit jegens personen maar jegens instellingen en beoefent die loyaliteit op basis van opvattingen over cultuur-waarden. “Bureaucratie is”, doceerde Weber, “de onvermijdelijke metgezel van een moderne massa-democratie”. Het apparaat is als het ware de buffer tegen privileges, tegen ongelijkheid voor de wet.

Tot zover is het een waardevolle onvermijdelijkheid van bureaucratische arrangementen. Probleem is dat het nog verder gaat: mooie democratie leidt tot lelijke democratisering en die democratisering produceert haar eigen bureaucratie, die vervolgens de druk van de democratie tracht te weerstaan. Waar de bureaucratisering van de overheid volledig is doorgevoerd, is tevens een constellatie gevestigd die praktisch onaantastbaar is. Ten slotte ontaardt dit in een pervers soort corporatisme, waarbij arrangementen de plaats van debatten innemen, gemanipuleerde consensus de plaats van fair conflict. De macht is zoek.

Historici en sociologen debatteren al geruime tijd over de vraag of 1968 een revolutie was of slechts een flard flower power die door ouderen tot een revolutie wordt opgepoetst om de eigen jeugd een voetstuk van avontuur en opwinding te verschaffen. Uit het perspectief van het bureaucratische arrangement is 1968 wel degelijk als revolutie aan te merken. Misschien niet precies dat jaartal, maar wel de periode tussen 1968 en 1975, waarvoor het jaartal 1968 als symbool geldt. Het was, zoals de Duits-Engelse socioloog Ralf Dahrendorf heeft vastgesteld, de revolutie van de publieke sector. Volgens Oeso-cijfers is in het gehele geïndustrialiseerde Westen het aandeel van de publieke sector in de werkende bevolking tussen 1968 en 1975 met gemiddeld eenderde gestegen en dat is daarna zo gebleven. In de Verenigde staten is het wat minder, in Noord-West-Europa wat meer. De vloedgolf in de richting van de publieke sector is overigens wel te verklaren. Ten eerste meldde zich de naoorlogse geboortegolf aan de hogescholen en universiteiten, ten tweede was een functie in een of andere overheid begeerd omdat daar de samenleving kon worden gemaakt en ten derde verlangde de democratisering dat er meer ambtenaren kwamen.

Met politieke kleur had en heeft zoiets maar weinig te maken, het ging om culturele ontwikkelingen die alom werden geabsorbeerd. (Zo wil het toeval dat het een VVD-minister was die in Nederland het record ambtenaren-in-dienst-nemen op zijn naam bracht). In Nederland veranderde de verzuilde pacificatie-democratie in dit proces bijna ongemerkt in een geseculariseerde semi-ambtelijke pacificatie-democratie. Achter het jargon van "verandering' en "vernieuwing' gaat op deze manier een reusachtige groep mensen schuil die nu al geruime tijd in dat apparaat werkzaam is, waar sinds een jaar of vijf weinig uitbreiding meer plaatsvindt en waar zekerheid, betrouwbaarheid en niet al te zware beroepsinspanningen belangrijke kenmerken zijn. Het gaat om een generatie die met haar getalsmatige gewicht al geruime tijd de toon zet. Democratisering heeft geleid tot sociale zekerheid, tot rust, tot gegarandeerde, niet al te zware werkomstandigheden, maar ook tot een verbreding van de rechtsmogelijkheden, tot een zelfschepping van beroepsinstanties, van papier en routine.

Een bureaucratie kan niet leiden, maar alleen heersen en dat ook nog anoniem. Als er dingen misgaan, laten evaluatierapporten achteraf dan ook steevast zien dat er iets mis was geweest met de "politieke en ambtelijke cultuur'. Men kan er een weddenschap op riskeren dat de parlementaire enquêtecommissie sociale zekerheid straks ook met zo'n type conclusie zal komen. Individuele verantwoordelijkheden zijn amper te traceren, zijn er simpelweg vaak niet meer.

Heldere keuzes die te associëren vallen met een politieke kleur of een politiek leider zijn niet te identificeren, het electoraat kan via het stemhokje ook geen pro of contra tot uitdrukking brengen of recensies over geleverde prestaties afgeven. De logge collectieve en semi-collectieve sector verwezenlijkt op deze manier Webers nachtmerrie. Die nachtmerrie zei dat een overal aanwezige bureaucratie in twee richtingen dodelijk gif verspreidt: voor een nieuwe generatie verstikt zij het gevoel dat democratie ertoe doet. Alles is geregeld, geordend, in procedures gegoten en tot dossiers gereduceerd. Voorts ontneemt zij staatsburgers de kans om politiek leiderschap te ontwikkelen. Een verstikkend vergadercircuit heeft zich als een dinosaurus midden in vele instituten gevestigd.

Charisma ketst af op de bureaucratische onbeweeglijkheid, het type politicus dat bovendrijft is dat van de bureaucratie. Ministers geven dit weliswaar niet zo gauw toe, hun geloofwaardigheid of liever, de mythe, verbiedt hun om openlijk te zeggen dat ze niet bij machte zijn nationale prioriteiten te formuleren en vervolgens knopen door te hakken. En dus doen ze alsof en onderwijl produceren hele voorlichtingsafdelingen hete lucht om de politieke verlamming te maskeren. Sommige politici hebben zich tot meesters in die schijnwerkelijkheid ontwikkeld.

De ambtelijke pacificatie-democratie is overigens een behoorlijke staatsvorm voor een tijdje. Zij vrijwaart iedereen van revolutionaire opwellingen, zij heeft gezorgd voor maximale geleidelijkheid en tevredenheid. Na 1968 heeft zich in West-Europa eigenlijk overal de consensus van de sociaal-democratische samenleving gevestigd. De klassenstrijd in klassieke zin is teneinde, inkomensverschillen zijn nu al twee decennia ongeveer stabiel en de sociale conflicten zijn geïnstitutiona- liseerd in een corporatief stelsel. Kan dat zomaar blijven voortbestaan? Dahrendorf vindt van niet en hij heeft waarschijnlijk gelijk: “Het risico van de corporatieve pervertering van de democratische klassenstrijd is dat starheid de plaats inneemt van beweging”, schreef hij onlangs in zijn ook voor dit artikel nuttige essaybundel Die neue soziale Frage. En hij vervolgde: “Het corporatisme gaat maar al te gemakkelijk een verbinding aan met de bureaucratie en beide beroven een vrije samenleving van een wezenskenmerk, namelijk van de vaardigheid tot verandering zonder revolutie (...). In feite berooft het corporatisme het democratische proces van het leven, arrangementen nemen de plaats in van discussies.”

Deze situatie is voor een meerderheid waarschijnlijk heel aantrekkelijk, want er is welvaart en er is zekerheid. Wie er in het kader van de grote consensus regeert, doet er niet zo veel toe en met wat kunst- en vliegwerk kunnen kleine sociale verschillen zelfs ter profilering van de politieke partijen tot grote strijdpunten worden opgeklopt. Zodat er regelmatig heuse verkiezingen zijn, met een suggestie van heuse keuzes. Zo voeren de gevestigde partijen volgens het traditionele ritueel hun onderlinge strijd over verdeling en herverdeling van collectieve middelen. Ondertussen worden reusachtige bedragen rondgepompt, waarbij de stille, omnipresente vennoot de bureaucratie is, die haar bestaansrecht eraan ontleent.

Is hiermee de zaak voor eens en voor altijd geregeld? Betekent dit na het einde van het communisme nu ook in maatschappelijke zin voor het Westen "The end of history'? Of toegespitst, is Nederland af? Geen sprake van. Deze consensus van de burgermaatschappij kraakt onder de last van allerlei veranderingen waar dit meerderheidsarrangement geen greep op heeft. Daar is die nachtmerrie van Max Weber, waarbij een nieuwe generatie een aangenaam gewatteerde, maar overigens onbeweeglijke ordening aantreft en charismatische politieke leiders geen kans hebben op te staan. Er zijn ook tekenen van ontwrichting, al uiten die zich niet in onlust en oproer.

Het is ingewikkelder dan een revolutie en het doet denken aan wat de vermaarde Amerikaanse socioloog Robert Merton ooit de “collaps van de culturele structuur” heeft genoemd. Grote groepen mensen zijn niet langer in staat begrip op te brengen voor de waarden van de samenleving waarin ze leven, ze haken af. Het gaat om flinke aantallen, niet om overtreding van normen op beperkte schaal, want dat hoort erbij en kan soms verfrissend zijn. De zogenaamde calculerende burger is een fraai eufemisme dat de bureaucratie zelf voor dit verschijnsel heeft uitgevonden.

Toch betekent het bestaan van grote groepen calculerende burgers in wezen niets anders dan dat er grote groepen burgers bestaan die het sociale contract niet meer accepteren, dat aan het hele stelsel ten grondslag ligt. Voor de calculerende burger is het geen sociaal contract meer, maar een winkelpassage, waar je op de koopjes moet letten. Veel Nederlanders stappen vrolijk met twee gezichten door het leven, ze zijn volop bereid een financieel offer te brengen voor uitkeringsgerechtigden en collectieve voorzieningen, maar maken de staat tegelijk geld afhandig, zo bleek uit een uitvoerig onderzoek van InterView vorig jaar voor de Volkskrant. Wat met de ene hand wordt gegeven, wordt met de andere weer teruggepakt. Het bureaucratische arrangement leidt ertoe dat zulke dingen worden ontkend of weggepoetst.

Het apparaat staat of valt immers met de geloofwaardigheid van het arrangement. Een uitgebreide fraude met uitkeringen ter waarde van tweehonderd miljoen gulden die recentelijk in de gemeente Amsterdam aan het licht kwam, werd met wat welzijnsjargon uit de jaren zeventig plus wat statistisch gegoochel weggesmeerd. Iets soortgelijks gebeurt bij het thema "recht en orde', een klassieke basisvoorziening in een democratische staat. Alle statistisch materiaal bevestigt wat iedereen weet, namelijk dat het woord "kleine criminaliteit' een eufemisme is voor een door grote groepen niet langer geaccepteerd verschil tussen mijn en dijn. Maar een hele generatie criminologen goochelt met begrippen en cijfers om dit fenomeen te relativeren, in werkelijkheid wordt daarmee slechts machteloosheid gemaskeerd. Op straat kent iedereen de tirannie van de kleine crimineel, die vrijuit gaat als hij inbreekt, een fiets steelt of een auto-radio. Toen in 1990 een groot onderzoek zoiets ook aantoonde en bovendien bevestigde dat wat Europa betreft de kans om slachtoffer van criminaliteit te worden in Nederland vrij hoog was, werd het onderzoek per Pavlov-reactie door de sociaal-juridische bureaucratie de grond in geboord. Het arrangement verdraagt het niet wanneer het wordt geconfronteerd met de simpele waarheid dat het de primaire staatstaak, recht en orde, niet naar behoren vervult. Dat ligt dan aan de burger wiens gevoelens kennelijk niet in orde zijn. De burger calculeert ondertussen verder: koop ik een fiets of steel ik 'm ook maar?

De collaps van de culturele structuur is ten slotte nergens zo goed zichtbaar als buiten de maatschappij van deze sociaal-democratische consensus, buiten wat de Duitse SPD-politicus Peter Glotz de tweederde-maatschappij noemt. De overige eenderde valt buiten die consensus en kenmerkt zich voornamelijk door afwijkend, ontwijkend of apathisch gedrag. Deze eenderde woont in wijken, waar minderheden leven en achtergebleven autochtonen Af en toe laat de televisie beelden zien van een politicus die in zo'n wijk op bezoek gaat. Het zijn meestal exotische wandelingen, waarbij de politicus wordt geflankeerd door cameralieden en er af en toe een flard van een conversatie plaatsvindt en de politicus aan het einde iets stamelt in de geest van “minderhedenbeleid en stadsvernieuwing” (op dit terrein doet Nederland het overigens verhoudingsgewijze nog steeds een stuk beter dan diverse andere Westeuropese landen).

In werkelijkheid voorziet het statische tweederde-arrangement niet in grootse krachtinspanningen om getto-vorming te voorkomen en integratie te bevorden via een combinatie van geld en dwang. Het geld is niemand bereid te geven en de dwang werkt in een bureaucratisch-corporatistische staat zonder overkoepelende normen amper. In grote lijnen blijkt de Westerse democratie in de huidige staat bijvoorbeeld machteloos tegen de verschijningsvorm van de vrijheid die past bij het einde van de Koude oorlog, namelijk een grote stroom immigranten en vluchtelingen. Het statische arrangement is geconcentreerd op behoud, niet op nieuwkomers.

Eenvoudige remedies tegen een dreigende verpulvering van collectieve verantwoordelijkheid zijn er niet. Er zijn geen normgevende instellingen zoals kerken, politieke partijen, universiteiten. Ook media kunnen die rol niet vervullen. Hoe vaak is de journalist zelf niet onbewust slachtoffer van wat Jean-François Revel “een mengsel van sterke emoties en simpele ideeën overeenstemmend met een gedragsvorm” noemt, dus zeg maar platweg, ideologie, die een mens ontheffing in intellectuele, morele en praktische zin verschaft. Of anders, hoe vaak komen media ook niet verder dan doorgeefluik van alle instellingen en instanties. Dagelijks bijna wordt het publiek beschoten met alle mogelijke cijfers en prognoses.

Theodore Roszak (The Cult of Information) heeft er op treffende wijze de vloer mee aangeveegd: voor elke redenering valt praktisch cijfermateriaal te rangschikken, waarmee grote menselijke kwaliteiten zoals subtiliteit, intuïtie en gezond verstand worden gemaltraiteerd door de lagere waarheden van de computer en de bureaucratie. De media geven die cijfers van de diverse instanties terecht zo gewetensvol door, zodat de ene cijferprognose op de andere berekening botst, de inverdieneffecten en inkomensplaatjes als alternatief voor het dagelijks leven gaan fungeren. Niet dat media die taak zouden moeten verwaarlozen, want het gaat immers om een belangrijk bestanddeel van de objectieve realiteit. Probleem blijft alleen dat het ten slotte toch niet tot overzicht en inzicht leidt op grond waarvan burgers hun oordelen kunnen vormen en hun normen definiëren. In zoverre is ook de informatiemaatschappij geen samenleving geworden waar eenvoudigweg meer feitelijke kennis bij meer mensen voorhanden is om overzichtelijker politieke keuzes en afwegingen te kunnen maken. Mensen haken dan ook niet alleen af van de staat, maar ook van de informatiemaatschappij. De overheid als normgevend instituut heeft grote moeite te overtuigen en wordt ook te zeer geplaagd door zelftwijfel. Nog afgezien van de vraag of een overheid als dominante leverancier van waarden en normen wenselijk zou zijn, het bureaucratisch model maakt de overheid er ongeschikt voor. Blijft dus de vraag: hoe valt het risico te bestrijden van een samenleving waar iedereen achter een dun, afbrokkelend laagje vernis lak heeft aan iedereen?

Elke regio in West-Europa, ook de regio Nederland, zal collectieve prioriteiten moeten formuleren, ook al is het begrip "collectief' dan geen mode meer. De gearriveerde stelling dat "Nederland af is' houdt geen stand. Het zou slechts kloppen wanneer er inderdaad zoiets als een end of history bestaat. Om deze regio aantrekkelijk te maken c.q. te houden zijn geweldige krachtsinspanningen nodig die op het ogenblik door de statische herverdelingsmachinerie worden gefrustreerd dan wel gebagatelliseerd. Die krachtsinspanning speelt zich af op elk denkbaar gebied van wat vroeger zo mooi Openbare Werken heette. De tweederde maatschappij moet de strijd tegen getto-vorming aanbinden, niet door af en toe een zak geld over de schutting te gooien, maar door actie: behuizing, goede scholen, schone straten, stadsvernieuwing. Wie weet wat hij wil kan gevestigde arrangementen trotseren. De politicus die weet hoe nuttig het is om capabele onderwijzers in achterstandbuurten te plaatsen, kan hun een fatsoenlijk salaris betalen met alle ongelijkheden en morrende Abva-Kabo's en Abops van dien om maar eens een voorbeeld te noemen.

Het hele onderwijs is trouwens als het gaat om normen een sector in nood. Havo-vier was niet alleen een bekroonde televisiedocumentaire, maar het is ook en vooral een tragedie van jeugdige en professionele doelloosheid, waarover het grote stilzwijgen schijnt uitgebroken.

Openbare werken betekent ook een gewetensvolle uitoefening van de nachtwaker-rol door de staat: arrestatie en constructieve bestraffing van kleine en grote dieven is een zinvolle bezigheid, simpelweg omdat stelen niet mag. In zoverre moet de staat als vertegenwoordiger van het collectief wel degelijk normen toepassen. Niet dat het niet gebeurt, maar te weinig om als collectieve wilsuiting overtuigend te zijn. Openbare werken betekent ook een sanering van de verzorgingsstaat. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden en zonder overtuigende sanering ontwikkelt iedereen zich tot calculerende burger waardoor de grootste collectieve verworvenheid van deze eeuw, namelijk het financiële vangnet voor gedupeerde medeburgers, aan verloedering wordt prijsgegeven. Openbare werken betekent ten slotte een grootscheepse verbetering van de fysieke infrastructuur, wegen, metro, spoor, omdat zoiets een investering in de toekomst is en elan verschaft. Alles bij elkaar opgeteld is deze fysieke kant slechts het zichtbare deel van een collectief psychologisch fenomeen dat zich onder zo'n begrip Openbare Werken laat rangschikken.

Dit alles klinkt een beetje naïef en met een paar ironiserende, relativerende trefwoorden is alles ook weer zo weg te wuiven. Politieke partijen kunnen revitalisatie ieder met hun eigen accenten ongetwijfeld beter verwoorden, maar zonder het begin van een diagnose en een formulering van doelstellingen en bijpassende offers wordt een proces van verlamming slechts voortgezet en verpulvert resterende burgerzin. De vraag is of het kan, of een samenleving zich uit een statisch-bureaucratisch welvaartsarrangement kan bevrijden. Kunnen politici zich aan de nachtmerrie van Max Weber ontworstelen of betekent dat politieke zelfmoord? Kunnen zij nog de eigenschap tot gelding brengen die Weber essentieel vond, namelijk de hartstocht, of liever: de fascinatie voor de grote uitdaging?

Kunnen partijen de agenda nog beïnvloeden of zijn zij tot pappen-en-nathouden gedoemd? Of leidt het publieke ongenoegen - misschien niet primair in Nederland, maar in landen als Frankrijk, Duitsland en Italië - tot nog onvermoede radicale veranderingen?

De politiek waait op het ogenblik de wind van het publieke ongenoegen in het gezicht. Een democratie bestaat in de woorden van Thomas Jefferson, bij de gratie van de vaardigheid om aan de burgers middelen te onttrekken ten bate van min of meer algemeen aanvaarde, collectieve doeleinden. Hier gaat de schoen wringen als dit publieke ongenoegen blijft en doeleinden niet worden geïdentificeerd. Zonder politiek legt een civil society het loodje.