HET ECONOMISCHE BELANG VAN DE BEDELING

Bijstand in Amsterdam, ca. 1800-1850. Armenzorg als beheersings- en overlevingsstrategie door Marco H. D. van Leeuwen 420 blz., geïll., Publicaties van het Gemeentearchief Amsterdam, uitg. St. H. J. Duyvisfonds nr. 19, Zwolle 1992, f 55,- ISBN 90 6630 324 7

Aan het einde van de achttiende eeuw begon men zich in Nederland ernstig zorgen te maken over het armoedevraagstuk. Economische malaise bracht velen onder het bestaansminimum. Op hun beurt kwamen daardoor de instellingen en armenzorg in moeilijkheden. Deze instellingen beschouwden het als hun eerste taak te zorgen voor degenen die zichzelf niet konden helpen: wezen, invaliden, bejaarden en grote gezinnen. Grote groepen mensen die wel konden werken, maar daarmee niet genoeg konden verdienen om van te leven, vormden een nieuw probleem. Allerlei praktische en minder praktische manieren werden bedacht om hen te hulp te komen. Men zocht het daarbij vooral in de werkverschaffing. Bedeling zonder tegenprestatie achtte men uit den boze.

Deze opvatting wordt zeer sterk uitgedragen door een veelheid van geschriften uit deze tijd. Men ging zelfs zover het armoedeprobleem terug te voeren op de royale en kritiekloze bedeling door stedelijke en kerkelijke liefdadige inrichtingen. De Republiek der Verenigde Nederlanden was rijk aan instellingen voor armenzorg, waarin grote bedragen omgingen. Alle kerkelijke groepen hadden voorzieningen voor hun eigen armen. Daarnaast functioneerden openbare instituten voor degenen die niet in aanmerking kwamen voor kerkelijke armenzorg. Dit uitgebreide stelsel van armenzorg zou de armen elk initiatief ontnomen hebben om zelf hun lot te verbeteren. Zij waren daardoor verworden tot een klasse van luie, frivole wezens, die niet spaarden voor moeilijke tijden, te vroeg trouwden, teveel kinderen kregen, niet met geld om konden gaan en bij de minste of geringste tegenslag een beroep deden op de armenkassen.

STANDAARDWERK

Dit beeld van de kritiekloze en royale bedeling en haar ongewenste gevolgen is gecanoniseerd door De Bosch Kemper in zijn Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons vaderland uit 1851, een boek dat tot op de dag van vandaag als een standaardwerk geldt. In een mooie analyse in zijn Bijstand in Amsterdam, ca. 1800-1850 laat Marco van Leeuwen zien dat weliswaar de in die tijd geldende opvattingen over armen en armenzorg bij De Bosch Kemper de boventoon voeren, maar dat deze ook vermeldt dat de traditionele armenzorg alles behalve royaal en kritiekloos was. De Bosch Kemper lost deze tegenspraak niet op, waardoor zijn boek iets onhelders houdt.

Van Leeuwens studie over armoede en bedeling in Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw maakt aan deze onhelderheid definitief een einde. Met behulp van een theoretisch model, ontleend aan een breed scala van recent historisch en sociaal-wetenschappelijk onderzoek, toont hij overtuigend aan dat de bedeling minimaal was en aan strakke reglementering gebonden.

De armenzorg vormde een beproefd stelsel dat in de negentiende eeuw al een lange traditie achter zich had. Zij was stevig in handen van de elite en diende ook haar belangen. Die lagen in de eerste plaats op economisch gebied. Voor de Amsterdamse economie was het zeer belangrijk dat er voor het zware en ongeschoolde werk in de haven een ruim aanbod van losse werkkrachten beschikbaar was. In slappe perioden hadden veel van deze arbeiders geen werk en dus geen inkomsten. Met het oog op drukkere tijden hadden Amsterdamse ondernemers er belang bij dat deze mensen toch beschikbaar bleven. De armenzorg verschafte een toeslag op wat zij en hun gezinsleden aan inkomsten wisten bijeen te schrapen. Daarnaast was de bedeling ook een geschikt instrument om de bevolking rustig te houden en een zekere controle over de armen uit te oefenen. De bedeling werd afhankelijk gemaakt van goed gedrag. Ook de verspreiding van besmettelijke ziekten kon geremd worden door de bedeelden te dwingen tot elementaire voorzorgsmaatregelen.

Minstens zo belangrijk was het feit dat de bestuurders van de verschillende instellingen ook persoonlijk voordeel trokken uit hun functie. Deze heren regenten behoorden tot de gezeten burgerij. Regenten van instellingen als het rooms-katholiek oude armenkantoor en het Weeshuis werden gerecruteerd uit de hoogste kringen. Zij beheersten de fondsen en bepaalden het beleid. Voor de daadwerkelijke bedeling beschikten zij over personeel.

De hervormde en lutherse diaconie-en waren minder professioneel. De diakenen moesten daar zelf al het werk doen, terwijl het beleid grotendeels in handen was van de kerkeraad. De diakenen behoorden dan ook tot de iets minder hoge kringen. Armbestuurders werden zelf niet betaald voor hun inspanningen ten behoeve van de armen, maar functies in alle armbesturen leverden prestige op. Met dit liefdadige werk legde men eer in bij rijke en arme medeburgers, en uiteindelijk ook bij God. Grote financiële giften waren hiervoor niet eens nodig.

GELUK

Van Leeuwen onderzoekt niet alleen de institutionele bovenkant van de armenzorg, maar gaat ook na hoe de armen tegenover de armenzorg stonden. Alleen wie geluk had veroverde een plaatsje in een tehuis en was daarmee verzekerd van een verzorgde oude dag. Voor de overgrote meerderheid van de armen vormde werken de voornaamste manier om aan de kost te komen. Recent onderzoek naar armoede in Europa heeft aangetoond dat de armen verschillende beproefde methoden kenden om in moeilijke tijden in leven te blijven. Armenzorg was daar maar één van. Armen konden hun vrouwen en kinderen laten werken, ze konden een tijdje op de pof leven of van de hulp van buren en familie, bezittingen konden beleend of verkocht worden, seizoenarbeid kon het gezinsinkomen aanvullen. Natuurlijk viel er ook te verdienen aan illegale activiteiten, zoals bedelen, gokken, prostitutie, diefstal of smokkel - maar dat bracht uiteraard risico's met zich mee.

Wie ondersteuning door armenzorg accepteerde, moest zich onderwerpen aan de regels en de controle van de desbetreffende instelling - en ook nog gedurig dankbaarheid betonen. Dat kon de moeite lonen. De armenzorg verschafte dikwijls niet alleen levensonderhoud, maar ook medische zorg voor bedeelden en schoolgeld voor hun kinderen. Bedeelden waren echter niet vrij om eens uit te spatten, een gokje te wagen of wat bij te schnabbelen buiten de grenzen van de wet. Anderzijds hoefden de armen zich niet zonder slag of stoot in de door de elite gewenste onderdanige houding te schikken in ruil voor een aalmoes. Zij konden putten uit andere inkomstenbronnen, waarvan de meeste de door de hogere klassen gewenste inrichting van de maatschappij in meerdere of mindere mate verstoorden. Zoals de armenvoogden bij de bedeling hun eigen voordeel in het oog hielden, deden ook de armen dat wanneer zij bedeling accepteerden. Van Leeuwen spreekt in dit verband zelfs van een ruilmechanisme, gebaseerd op wederzijds voordeel en bedreiging, op wederzijdse afhankelijkheid van arm en rijk.

Het beeld dat aan het eind van de achttiende en tot ver in de negentiende eeuw de discussies over de armenkwestie beheerste, was een studeerkamerprodukt. Geen enkele arme kreeg de kans flierefluitend door het leven te gaan en bij tegenslag een beroep te doen op kritiekloze bedeling. Met een combinatie van moderne onderzoeksmethoden ontrafelt Van Leeuwen de veel complexere werkelijkheid. Er blijven nog genoeg vragen over - dat hoort ook bij innovatief onderzoek - maar het standaardwerk van De Bosch Kemper kan gevoegelijk naar het museum.

    • Joke Spaans