HEEL DE WESTERSE MENS

Er zijn vragen die je alleen stelt als je dronken bent, of als het gesprek stokt en de stilte pijnlijk wordt: met welk woord zou je de hele Westerse cultuur kunnen typeren? Richard Rorty, Amerikaans filosoof en sinds kort wereldberoemd, stelt de vraag in alle nuchterheid, omdat het gesprek tussen de culturen is vastgelopen in gemeenplaatsen als relativisme en universalisme.

Als het over "de cultuur' van het Westen gaat reageren westerlingen verveeld en niet-westerlingen geïrriteerd. Daarom begint Rorty gewoon opnieuw: wat is het belangrijkste kenmerk van het Westen? Technologie, rationaliteit, mathematica? Kolonialisme, imperialisme en racisme? De filosofie van Nietzsche, Marx, Freud of Heidegger? De neiging om de wereld te onderzoeken, om abstracte theorieën te formuleren en de orde der dingen, die "structuren' bloot te leggen? De waarheid te vinden?

Elk van deze antwoorden zou juist kunnen zijn. Maar ze zijn tamelijk saai. Hoe zit het met de neiging te spotten, te fantaseren en te vertellen? Waarom zouden gevoeligheid, intuïtie en nieuwsgierigheid geen typisch Westerse beginselen zijn, vraagt Rorty. Of de drang naar vrijheid en gelijkheid, en aardser, naar erotisch plezier en een comfortabel leven. Waarom zou de Westerse mens niet getypeerd kunnen worden als iemand die verlangt naar avontuur, spanning en sensatie?

Er is een type westerling dat ernstig is, triest zelfs. Hij heeft een goed ontwikkeld historisch bewustzijn en sterft zowat van schuldgevoel, voor wat hij en zijn mede-westerlingen de wereld hebben aangedaan. Hij wil boete doen, humaan zijn, medelijden hebben (niet in de laatste plaats met zichzelf); hij streeft naar vrede en is wars van elk hedonisme; hij leest geleerde beschouwingen, is in het algemeen belangstellend, sociaal bewogen, maar ook praktisch. Het is de westerling die teleurgesteld is in "de vooruitgang'; de wetenschap die niets dan vernietiging heeft gebracht, de technologie die de natuur heeft verwoest, de politiek die bureaucratisch en autoritair is geworden, de cultuur die is ontaard in massaconsumptie en goedkoop amusement.

Dit is inderdaad het beeld van een veel voorkomend Westers type, maar Rorty weigert te geloven dat het de prototypische westerling is. In een essay over de vergelijking van culturen (dat door leden van het tijdschrift Krisis is vertaald in de bundel "De Asceet, de tolk en de verteller') zegt hij plompverloren en met grote overtuigingskracht dat de meest kenmerkende figuur van het Westen wat hem betreft de literaire auteur is. Terwijl de filosoof de essentie van dingen zoekt, de grote lijn van de menselijke geschiedenis en het wezen van het ware Zelf, probeert de romanschrijver de kleinste details van het dagelijkse leven weer te geven. Voor de romancier zijn alle mensen gecompliceerde, maar bovenal komische figuren. Zoals Kundera zegt: ""De roman komt niet voort uit een theoretische, maar uit een humoristische houding.''

Het is de schrijver die het vermogen - het unieke Westerse vermogen, moet ik er misschien bij zeggen - ontwikkelt om verschillende gezichtspunten in te nemen en begrijpelijk te maken. Kundera's werkelijkheid is carnavalesk, zegt Rorty, zoals ook de wereld van Charles Dickens bestaat uit excentriekelingen die zich verheugen over elkaars eigenaardigheden en die nieuwsgieriger zijn naar het nieuwe en het verbazingwekkende dan naar dingen als "herkomst', "oorsprong' en "zuiverheid'. Voor de ernstige filosoof is pijn of geluk een triviaal detail. Voor de schrijver is niets belangrijker dan het onnodige detail.

Rorty plaatst twee Westerse typen, de filosoof en de schrijver, tegenover elkaar en geeft de voorkeur aan de laatste. Hij wijst daarmee op de tegenstelling tussen redelijkheid en intuïtie, voorbedachtheid en avontuurlijkheid, berekening en toeval. De filosoof vertrekt van het algemene naar het bijzondere, om abstracte ideeën zo objectief mogelijk te toetsen aan de concrete werkelijkheid. De schrijver worstelt met de bijzonderheden en gebruikt daarbij de abstracte idee slechts als persoonlijk geheugensteuntje. Het gaat de schrijver om de kleine dingen: menselijk genot, in plaats van "de waarheid'. Opwinding en plezier, in plaats van "het wezen' of "de identiteit'.

Hoe zou het zijn, vraag ik me af, als deze twee typen zouden samenkomen in een soort ideaaltypische westerling? Want je hebt toch iets aan die redelijkheid en die geleerdheid, net zoals je iets hebt aan de zucht naar spanning en sensatie. De perfecte westerling zou dan een combinatie zijn tussen de verstandige onderzoeker en de roekeloze avonturier, iemand dus die alles zo goed mogelijk wil berekenen en de uitkomst toch aan het toeval overlaat. Een moedige held en een brutale idioot.

Is er in de Westerse cultuur een voorbeeld van zo'n figuur? Volgens Rorty zijn de twee karaktertypen sinds de Verlichting steeds verder uit elkaar gegaan. Heel de Westerse Mens is gespleten geraakt in een personage dat door de filosofie werd opgeslokt en een personage dat zich in de literatuur mocht uitleven. Maar ooit, lang geleden, heeft het Westen zo'n persoonlijkheid gehad. Het was de tijd van Machiavelli, Erasmus, Copernicus en Michelangelo en hij heette Christoffel Columbus.

Ik schrijf het nogal plechtig op en zo voel ik het ook, omdat ik zonder Columbus hier misschien helemaal niet zou zijn, maar dat is een triviaal detail. Vandaag precies vijfhonderd jaar geleden voer hij over de Atlantische Oceaan, dwars door eindeloze vlakten zeewier, waar de bemanning doodsbenauwd van werd, omdat men dacht dat er elk ogenblik verschrikkelijke monsters uit zouden oprijzen. Maar Columbus was een man van de wetenschap, zoals het een klassieke westerling betaamt. Hij had tien jaar lang onderzoek gedaan en de gegevens van alle geografen, van Aristoteles tot Marco Polo, op een rijtje gezet. Maar daar bleef het voor hem niet bij. De theorie wilde hij in de werkelijkheid toetsen, terwijl hij wist dat binnen de stand van de scheepvaarttechniek zo'n lange tocht over de oceaan onmogelijk was.

Dus herschreef hij de wetenschap, hij maakte voor de vorsten en geldschieters een nieuwe berekening van de afstand over de oceaan, hij beweerde dat Azië groter was waardoor de zee kleiner werd, hij haalde informatie uit de bijbel die hem gunstiger uitkwam en verwarde de langere Arabische zeemijl met de kortere Romeinse; zijn avontuurlijkheid dwong hem om de redelijkheid naar zijn hand te zetten. En hij was daar moedig genoeg voor, hij bezat de moed om zich te vergissen.

De biograaf Gianni Granzotto vergelijkt Columbus met Don Quijote: beiden joegen een droom na, en als de werkelijkheid daar niet mee overeenstemde, dan lag het aan die werkelijkheid. Columbus wist wat hij deed, dacht hij. Nadat hij op de Bahama's was beland ging hij doodleuk op zoek naar Japan. Toen hij in Cuba terechtkwam begreep hij dat dit Japan niet kon zijn. Daar was het gebied veel te armoedig voor, met alleen maar "een hond die niet blafte', zoals hij in zijn logboek aantekende. Dus was hij in China.

Hallucinaties? Nee, Columbus beschikte over een hoogst persoonlijke kosmografie, hij liet zich niet alleen leiden door de logica, maar ook door zijn illusies. Met mathematische precisie zocht hij een weg door zijn verbeelding, en net als Don Quijote vond hij zo een nieuwe vrijheid. Hij was vrij van "het gezonde verstand', van de vooroordelen van de massa's en van de voorzichtigheid van de wetenschap. Columbus was een dolende ridder, die in de eerste plaats zegevierde in de fantasie. Hij ontdekte niet alleen de nieuwe wereld, maar ook de waarde van eigenzinnigheid.

Ook in een ander opzicht was Columbus een perfecte westerling: hij was niet alleen bezield door wetenschap en avontuur, maar ook door hebzucht. Goud was wat hij wilde, hoeveel levens het ook kostte en hoe kleinzielig hij daarvoor ook moest worden.

De Spaanse vorst had een kleine beloning uitgeloofd aan degene die als eerste land zou waarnemen. Die eer kwam een eenvoudige zeeman toe, maar Columbus beweerde koeltjes dat hij het net iets eerder had gezien. Iedereen wist dat hij loog.

En Columbus was, tenslotte, onvoorstelbaar hardvochtig. De Indianen waren vredelievende en beleefde mensen, ze hadden zijn leven gered toen zijn schip vlak voor de kust van Haïti verging, ze voorzagen hem van voedsel en beschutting en boden hem hun vriendschap aan. Ze hadden geen godsdienst, merkte Columbus op, ""maar ze beminnen hun naaste als zichzelf''. Desondanks zag hij de verhouding tussen Europeanen en Indianen als die tussen meesters en slaven. Al keerde hij zich tegelijkertijd tegen de massale verkrachting van de Indiaanse meisjes.

Zo zou dus de ideaaltypische westerling eruit hebben gezien, als Columbus. Een rationalist en een fantast, een onderzoeker en een avonturier, iemand die vooruitgang brengt en vernietiging, beschaving en wreedheid. Iemand die geschiedenis maakt en het zelf niet in de gaten heeft.