Harold Pinter discussieert in Amsterdam over het geweld van regeringen; "Ik heb steeds minder woorden nodig'

Ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van het tijdschrift Index on Censorship wordt in het Amsterdamse theater De Balie een manifestatie over censuur gehouden. De Engelse toneelschrijver Harold Pinter is een van de deelnemers aan een forumdiscussie vanavond. “In het westen wordt de vrije meningsuiting net als in totalitaire landen onmogelijk gemaakt. Het gebeurt alleen subtieler”.

Het bezoek is nog geen twee minuten binnen of de grootste nog levende Britse toneelschrijver noemt drie landen waar de mensenrechten geweld wordt aangedaan: Oost-Timor, Turkije en G. Behalve dat ze militair en economisch gesteund worden door het Westen hebben de drie landen gemeen dat zij een geldig excuus denken te hebben voor het gebruik van geweld. De strijd tegen het communisme heiligt alle middelen, zelfs nu de Sovjet-Unie niet meer bestaat. Een televisieploeg was toevallig getuige van de massamoord dit jaar op Oost-Timor, anders had de rampzalige afloop van een vreedzame demonstratie geen enkele aandacht gekregen. De verantwoordelijke militairen kregen pro forma een gevangenisstraf van achttien maanden, de leiders van de demonstratie kregen tien jaar. Daarover hoor je niemand.

Harold Pinter (1930), geheel in het zwart gekleed, leunt uiterlijk kalm achterover op de bank in een Amsterdamse hotelkamer. Hij bezoekt ons land ter gelegenheid van de door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam georganiseerde manifestatie Index on Censorship, die deze week wordt gehouden in het Theater de Balie. Vanavond dicussieert hij met J. Bernlef en de dichter Jack Mapanje uit Malawi over de verhouding tussen schrijvers en censors.

De reden waarom hij heeft willen afwijken van zijn gewoonte geen interviews af te staan houdt direct verband met censuur. Pinter maakt uit dankbaarheid een uitzondering, omdat deze krant begin dit jaar zijn gedicht American Football afdrukte. Het uit walging over de Golfoorlog geschreven gedicht bestond uit een reeks met krachttermen gekruide zinnen die letterlijk gezegd hadden kunnen zijn door bombarderende piloten. Britse kranten en tijdschriften weigerden American Football te publiceren, uiteindelijk verscheen het in het nieuwe linkse tijdschrift The Socialist.

Het is maar een klein voorbeeld van de (zelf-)censuur waaraan volgens Pinter ook in onze streken zogenaamd onafhankelijke media onderworpen zijn. “Aan openlijk en expliciet verbieden, zoals in totalitair geleide landen, wagen de regeringen van Engeland, Frankrijk en de VS zich niet. Het gaat veel subtieler, er wordt druk uitgeoefend of men maakt de vrije meningsuiting op indirecte wijze onmogelijk.”

Als voorbeeld van de laatste methode noemt Pinter het tot voor kort door het televisiestation Channel Four uitgezonden programma Opnion, waarin een gastspreker zich een half uur lang rechtstreeks tot de kijker richtte. “Nadat ik een uitzending gevuld had met kritiek op het Amerikaanse beleid in Midden-Amerika, bedacht de Engelse regering dat er hoognodig een Impartiality Bill moest komen. Die is er nu en die verplicht media altijd tegenovergestelde meningen te laten horen, zelfs als een van die meningen op leugens berust. Na mijn aanval had iemand anders het Amerikaanse beleid dus moeten prijzen. Het gevolg van die absurde wetgeving is dat Opinion niet meer bestaat.”

Toneelgroep Amsterdam bracht deze week drie recente eenakters van Pinter uit. In Bergtaal en De nieuwe wereldorde schetst hij situaties waarin gemarteld wordt, in Party time vieren de rijken feest terwijl buiten onlusten onderdrukt worden.

Op de vraag of toneelschrijven en politiek bedrijven te combineren zijn, zegt Pinter: “Ik maak het mezelf niet gemakkelijker. Als je goed en kwaad zo duidelijk tegenover elkaar zet, laat je je fantasie inderdaad nog weinig ruimte. Toch is het mogelijk, ik vind mijn drie laatste eenakters geslaagd. Alleen in Party Time heb ik onlangs meer karakters geschreven voor de televisiebewerking die Channel Four in november uitzendt. Maar dat heb ik uitsluitend gedaan omdat ik meer geroezemoes wilde. Ik weet, dat velen mijn werk verpolitiekt vinden, maar die beseffen niet dat ik in 1948, op achttienjarige leeftijd, dienst weigerde en dat ik dus altijd al politiek bewust ben geweest. Dat moet wel, ik ben tenslotte ook nog een jood!”

Dat bewonderaars van zijn vroegere "mysterieuze' werk moeite hebben met de directheid van het nieuwe werk, zegt Pinter weinig. “Ik ben altijd al een gehate toneelschrijver geweest. Altijd hebben mensen zich om een of andere reden aan mijn werk gestoord. Ik vind het mijn plicht in opstand te komen tegen door overheden gepleegd of goedgekeurd geweld. Anderen hebben die plicht ook, maar ik ben bij uitstek in de positie aan mijn morele besef gevolg te geven, omdat ik niets te vrezen heb. Ik heb geen baan te verliezen.”

Sinds een van zijn grootste successen Betrayal uit 1978 heeft Pinter geen avondvullend werk meer geschreven. Hij wijt dat zelf niet aan zijn betrokkenheid bij misstanden in de wereld. “Het enige dat ik constateer is dat ik steeds minder woorden nodig heb. Ik ben trots op een zinnetje uit De nieuwe wereldorde waarin de ene beul de andere aanmoedigt door te zeggen dat hij “de wereld schoon houdt voor de democratie”. Zo is het: in naam van de democratie worden misdaden gepleegd. Maar ik kan niet oordelen over mijn eigen werk. Ik heb het gevoel dat juist degenen die zo'n waarheid niet horen willen me vragen of de vroegere stukken niet beter waren. Ik weet dat niet zo goed, maar ik maak dan ook geen deel uit van de haute bourgeoisie.”