Handel en wandel; Indonesië- studies in Nederland, vroeger en nu

Eens was het onderzoek naar taal en cultuur in de Indische archipel verweven met zending en bestuur, de Indische studiën dienden vooral tot steun van het gouvernement. Hoe belangrijk is nu de Nederlandse Indonesianistiek? Minister Ritzen reist volgende week naar Jakarta om hierover meer duidelijkheid te verschaffen.

In den beginne was er niets dan onbegrip. Bij zijn afscheid als gewoon hoogleraar in de Javaanse taal- en letterkunde, op 8 mei 1992, haalde prof.dr. J.J. Ras herinneringen op aan de eerste ontmoeting tussen de Vereenigde Oostindische Compagnie en het Javaanse rijk Mataram. In 1613 nodigde de vorst de Nederlanders uit om een "loge' te openen in Japara, ten noordoosten van Semarang, voor de opkoop van rijst. Het duurde niet lang of de Hollanders stonden te Japara in een kwade reuk. Prof. Ras rept van zeeroverij en ander wangedrag: ""Het ergste was misschien wel dat Balthasar van Eyndhoven, het hoofd van de loge, de vorst van Mataram bij herhaling een hond noemde, dat hij de draak stak met de "duivelsdienst" van de islam en er een gewoonte van maakte zijn gevoeg te doen tegen de muur van de moskee''.

Het kostte de Compagnie geruime tijd om haar leven te beteren, maar handel veronderstelt nu eenmaal wandel. De eerste exercities op het gebied van de Indische studiën waren van de hand van zeventiende-eeuwse kooplieden die vreemde woorden of gebruiken boekstaafden. Zo werden in Nederland de allereerste woordenlijstjes Javaans en Maleis gedrukt. Op 24 april 1778 werd het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen opgericht, het eerste Nederlandse college voor de beoefening der oriëntalistiek. Na het bankroet van de Compagnie en het Engelse tussenbestuur over Java (1811-1816) besloot gouverneur-generaal Van der Capellen aanstaande bestuursambtenaren beter op te leiden. Koning Willem II steunde de oprichting van de Koninklijke Academie te Delft, met als doel gepromoveerde juristen bestemd voor hogere ambten in de archipel een bijscholingscursus te bieden in de "taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië'. Daarna groeide die discipline uit tot een volwassen tak van wetenschap.

De verzameling van "Indisch' bronnenmateriaal en de uitgave van een wetenschappelijk tijdschrift - de tot op heden verschijnende "Bijdragen' - werden toevertrouwd aan het in 1851 opgerichte Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden onderwijs en onderzoek overgeheveld van Delft naar de Rijksuniversiteit Leiden. Rond de eeuwwisseling was de Leidse letteren- en rechtenfaculteit uitgegroeid tot een wereldcentrum voor de bestudering van het Maleis en Javaans, de islamologie en het adat-recht. Dat is ondanks voor- en tegenspoed zo gebleven. Bij het afscheid van professor Ras, enkele manden geleden, had Leiden nog steeds de enige leerstoel Javaans ter wereld.

Koloniaal

Van begin af aan was het onderzoek naar talen en culturen in de archipel nauw verweven met zending en bestuur. Geleidelijk aan ontstond een geordend net van beambten, die zich uit hoofde van hun functie bezighielden met lokale tradities: de zogenoemde "taalambtenaren'. Uit hun kring en uit het Nederlands Bijbelgenootschap kwamen in de negentiende eeuw de eerste woordenboeken en grammatica's voort. De koloniale verhouding bood immers een unieke mogelijkheid voor langdurig veldwerk. Menig voormalig ambtenaar van het Binnenlands Bestuur werd na terugkeer in het vaderland hoogleraar.

Professor Wim Stokhof, voorzitter van de Vakgroep Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië van de Leidse universiteit, behoort tot een nieuwe generatie Indonesië-onderzoekers, die geen koloniale achtergrond meer heeft. Toch spreekt hij met veel respect over de pioniers van de Indonesianistiek: ""Deze mensen brachten na hun bestuursjaren een enorme kennis mee naar huis. Zij hadden ter plaatse langdurig onderzoek gedaan en voelden het land tot in hun vingers aan. Tegenwoordig doet een taalkundig of antropologisch onderzoeker hoogstens een jaar veldwerk. Zulk diepgaand onderzoek is nu alleen mogelijk in het kader van de ontwikkelingssamenwerking.''

De koloniale medaille had ook een andere kant. De taal- en cultuurvorsers werden ingeschakeld door het Binnenlands Bestuur. In veel gevallen leidde hun inbreng tot rechtvaardiger belastingregelingen en een redelijker rechtspraak. In voorkomende gevallen druisten hun adviezen echter in tegen de aspiraties van de inheemse bevolking. In Atjeh, een vrome islamitische landstreek in het uiterste noorden van Sumatra, stuitte het Nederlandse gezag op taai verzet. Binnen de Atjehse samenleving bestond een onverbrekelijke band tussen religieus enjpolitiek gezag. Rond 1900, na een uitputtende guerrilla-oorlog van meer dan een kwart eeuw, deed het militaire bestuur in Atjeh een beroep op de vermaarde Leidse arabist en islam-kenner Christiaan Snouck Hurgronje. Zijn aanbevelingen behelsden verbreking van de band tussen de traditionele hoofden en de machtige schriftgeleerden.

Snouck werd de architect van de Nederlandse islam-politiek in Indië. Die kwam neer op een "depolitisering' van de religie en is in 1940 bondig verwoord door professor W.J.A. Kernkamp: ""De Islam-politiek van Snouck Hurgronje berust in hoofdzaak op een verticale splitsing van den Islam in twee deelen. Het eene deel bestaat uit godsdienst in Westersche zin. Dat blijft dus vrij, overeenkomstig ons grondwettige systeem. Aan de godsdienstvrijheid, zegt Snouck, mag men niet tornen. Nu is de Islam echter meer dan een godsdienst volgens Westersche opvatting en een stelsel geworden, dat niet alleen de verhouding van den mensch tot het Opperwezen regelt, maar ook alle maatschappelijke verhoudingen van zijn belijders. In dat andere deel, dat naar onze, Westersche, meening niet meer van godsdienstigen aard is, geldt de onbeperkte vrijheid dus niet per se en zij màg daar zelfs niet gelden als naar het oordeel der regeering hoogere, althans meer algemene, belangen, met name de bescherming van den Inlander en van ons eigen Staatsgezag, tot ingrijpen nopen. Eventueel verzet tegen dat ingrijpen is met de wapenen te onderdrukken.''

Laatste indoloog

Jan van Baal las als gereformeerde HBS'er in de jaren twintig "Max Havelaar' en dacht: ""Bestuursambtenaar in Indië: dat moet echt leven zijn''. Hij meldde zich voor de Indische dienst en verbond zich tot het ""volbrengen van de studie der indologie en tot minstens vijf jaar dienst in Nederlandsch-Indië daarna''. Vanwege de afstand koos hij voor Leiden en niet voor de dan net tot stand gekomen, conservatief getinte opleiding in Utrecht, ""ofschoon gereformeerden daar onder Colijns invloed enige voorkeur voor hadden''. Van Baal, vorige maand overleden, in zijn memoires: ""Indologie was een rare studie. Ze was een opleiding voor toekomstige bestuursambtenaren in Nederlands-Indië, die op wetenschappelijke wijze dienden te worden ingeleid in de talen en culturen van dat gebied enerzijds, en de daar relevante problemen van economie en recht anderzijds. Dat is nogal iets; het hield onder meer in, dat de studie verzorgd moest worden door een samenwerkingsvorm van de faculteiten van letteren en rechten in Leiden.''

Rare studie of niet, in 1934 voltooide Van Baal zijn dissertatie over de Marind Anim Papoea's van Nieuw-Guinea en vertrok met zijn jonge bruid naar Indië. Daar was hij achtereenvolgens adspirant-controleur op Java en Madura, controleur in Merauke, hoofd van de onderafdeling Zuid-Nieuw-Guinea, controleur-afdelingssecretaris en resident in Oost-Java. Hij was net begonnen aan een onderzoek van twee jaar naar de structuur van de desa op Lombok, toen de Japanners Nederlands-Indië binnenvielen. Van Baal verdween voor drie jaar in de kampen van Sulawesi. In november 1945 kwam hij na een omweg langs Australië in Batavia aan, waar het nauwelijks herstelde Binnenlandse Bestuur even geen raad met hem wist. Tijdens zijn verlof in Nederland stelde hij zijn wetenschappelijke inzichten te boek: "Over Wegen en Drijfveren der Religie'. In de jaren vijftig werd Van Baal aangesteld tot gouverneur van Neerlands laatste stukje Insulinde: Nieuw-Guinea. Na zijn terugkeer was hij tot zijn emeritaat in 1973 hoogleraar culturele antropologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij was de laatste praktizerende "indoloog'.

Crisis

Colijns waarschuwing "Indië verloren, ramspoed geboren' mocht wat het moederland betreft schromelijk overdreven zijn, de vaderlandse Indonesianistiek raakte na de soevereiniteitsoverdracht wel degelijk in een crisis. Het ging niet meteen bergafwaarts. De "indologie' had als bestuursopleiding grotendeels haar betekenis verloren, maar leverde in de jaren vijftig nog een handjevol ambtenaren af voor Nederlands Nieuw-Guinea. Toen Soekarno in 1957 de diplomatieke betrekkingen met Nederland verbrak en de confrontatie over Nieuw-Guinea begon, leek het met de Indonesische studiën gedaan. Studenten trokken weg en de aandacht verplaatste zich in de jaren zestig naar andere werelddelen, vooral Latijns Amerika en Afrika. Indonesië-studies leken plotseling zinloos; in Leiden verrees een Afrika Studiecentrum.

In de jaren zestig moest Nederland zijn eerste plaats op de wereldranglijst van Indonesiestudies afstaan aan de Amerikanen; voorop Cornell University. De Amerikanen stapten in het gat en gingen er prat op dat ze geen koloniaal verleden hadden. Dollars waren er genoeg, want in het State Department en het Pentagon zag men het strategische belang van dat grote land van meer dan honderd miljoen mensen, dat bovendien de grootste communistische partij van niet-communistisch Azië herbergde, de PKI. Cornell leverde standaardwerken als de Java-studie van Clifford Geertz en de PKI-studie van Ruth McVey. In de jaren zeventig ontdekten de Australiërs het buurland Indonesië: de Australian National University in Canberra groeide in korte tijd uit tot een nieuw centrum van Indonesianistiek.

Jacob Vredenbregt ging aan het eind van de jaren vijftig, na jarenlange omzwervingen in Indonesië, culturele antropologie studeren in Leiden. ""Jonge studenten waren er niet'', zegt hij, ""de javanoloog Ras en ik waren de jongsten''. Hij deed veldonderzoek in het Indonesië van de jaren zestig en was daarmee een van de weinige Nederlandse wetenschappers die deze hectische jaren ginds doorbrachten. ""De rol van Nederland was niet uitgespeeld'', zegt hij. ""Sinds 1963 mochten we het land weer in. Tenslotte was er dat indrukwekkende kennisreservoir in Leiden en niet te vergeten die enorme documentatie in het Algemeen Rijksarchief en het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Daar konden ook de Amerikanen en Australiërs niet omheen.''

Verandering

Intussen was Leiden niet langer het exclusieve bolwerk van de Indonesië-studies in Nederland. Een van de voormalige "Indische' bestuursambtenaren die na de onafhankelijkheid van Indonesië academisch emplooi vond in Nederland was de jurist, historicus en socioloog W.F. Wertheim. Hij ging na de oorlog doceren aan het Sociologisch-Historisch Seminarium voor Zuidoost-Azië, een instituut verbonden aan de toenmalige Gemeentelijke Universiteit. Wertheim hield zich daar tot zijn emeritaat hoofdzakelijk bezig met de sociologie en cultuurkunde van Indonesië. In 1959 publiceerde hij het internationaal vermaarde boek "Indonesian Society in Transition: A Study of Social Change'. De titel was een programma.

""Die belangstelling voor langere-termijnverandering in het werk van Wertheim past in wat je de Amsterdamse School kunt noemen'', zegt professor Jan Breman, hoogleraar vergelijkende sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en tevens directeur van het Amsterdamse Centrum voor Azië Studies, een samenwerkingsverband tussen de UvA en de Vrije Universiteit. Breman: ""Deze school beziet de samenleving niet als tijdloos, maar als voortdurend in beweging. We bekijken haar bovendien niet van bovenaf, zoals de Leidse, bestuurlijke traditie pleegt te doen, maar van binnenuit en van onderaf. Tenslotte gaat de Amsterdamse school vergelijkend te werk. Zo weigeren wij Indonesië tot een eiland te maken in Azië. Voor ons is dat land blijvend interessant, maar als onderdeel van een groter gebied, als een samenleving die nauwe banden heeft met het continent van Zuidoost-Azië. De Leidse traditie is ons inziens te exclusief op Indonesië gericht. Dat heeft te maken met de taal, maar ook met koloniale wetenschapsbeoefening, die de wereld in compartimenten opdeelde. Leiden "deed' alleen onze "ons Indië'. Het is een respectabele traditie, maar zij heeft haar tekortkomingen: alleen dingen zeggen die beleidsmakers willen horen en moeilijke thema's vermijden.''

Professor Wim Stokhof, de nieuwe vakgroepschef in Leiden, is zelf geen "Leienaar'; hij kreeg zijn taalkundige opleiding in Amsterdam. Kan hij instemmen met Bremans karakteristiek? Stokhof: ""Ik denk wel dat dit in grote lijnen juist is. Toen ik in Leiden kwam, en dat is gedeeltelijk nog zo, was men heel sterk gericht op de bestudering van oude handschriften en niet meer op onderzoek ter plekke. Vooral door de trauma's van na '45 hield men zich liever aan wat voorhanden was in de archieven. Je vond geen mensen meer die het veld introkken, laat staan figuren die zich uitspraken over of belangstelling hadden voor de dagelijkse werkelijkheid in Indonesië. Hoewel Amsterdam veel kleinschaliger werkte, had het de naam modern te zijn en niet bang voor politiek gevoelige onderwerpen. Wat in Leiden gebeurde was weliswaar van hoge kwaliteit, maar enigszins tijdloos.''

Alarmerend rapport

In de jaren zeventig dreigde de Leidse traditie uit te sterven. "Grand old men' als de filoloog Drewes en de batakoloog Voorhoeve stonden op het punt het veld te ruimen en er was geen nieuwe kweek van betekenis. Bovendien dreigden onderdelen van de klassieke Indonesianistiek het loodje te leggen onder de toenemende bezuinigingsdruk. Internationaal befaamde linguïsten als de malaicus Teeuw en de javanoloog Pigeaud besloten aan de bel te trekken. Teeuw haalde de jonge taalkundige en ex-Maagdenhuis-bezetter Stokhof naar Leiden en belegde aan het eind van de jaren zeventig de Conferentie van Wassenaar. Het alarmerende rapport dat daaruit rolde vond een gewillig oor bij de toenmalige minister van onderwijs Deetman, die, aldus Stokman, ""Indonesië een warm hart toedroeg''.

Deetman trok enkele miljoenen uit voor de Indonesianistiek, die voortaan zou worden geconcentreerd in Leiden en Amsterdam. In het kader van het Cultureel Akkoord met Indonesië kwam onder de bezielende leiding van de Leidse professor Teeuw het Programma Indonesische Studiën (PRIS) van de grond.

Over het PRIS zijn de meningen verdeeld, maar iedereen erkent dat dit programma een hele nieuwe generatie onderzoekers heeft opgeleverd: vooral historici, taalwetenschappers en antropologen. Zonder het PRIS waren er geen fondsen geweest om onderzoek te doen in Indonesië. De initiatiefnemers waren weliswaar Leidenaren, die hun wortels hadden in het oude Indië, maar de hele academische wereld van Nederland profiteerde mee. Amsterdammers kritiseren echter de behoedzaamheid van de PRIS-notabelen: ambtenaren, diplomaten en universitaire coryfeeën die vooral de banden met Indonesië wilden herstellen en politieke gevoeligheden aldaar te zeer zouden ontzien. Breman rept in dit verband van een ""misplaatst schuldgevoel'', waarop Jakarta ""behendig heeft ingespeeld''.

Het PRIS had in eerste instantie de bedoeling tegemoet te komen aan Indonesische behoeften op het gebied van wetenschapsontwikkeling. Eén lijn was het openleggen van oude Nederlandse bronnen, waar de Indonesiërs langzamerhand geen toegang meer toe hadden, door vertalingen of de opleiding van Indonesiërs. De andere lijn was het publiceren van door Indonesiërs geschreven materiaal over hun land. De fondsen kwamen - een innovatie op zichzelf - hoofdzakelijk van Ontwikkelingssamenwerking.

Weerstand

In verhouding tot het reservoir aan kennis houdt de Nederlandse academische wereld, in het bijzonder het bolwerk Leiden, zich nogal stil als het gaat over het moderne Indonesië. Als er ginds iets spectaculairs gebeurt, komt het NOS-journaal alleen op de naam Wertheim. Die is al op leeftijd en wenst sinds de bloedige afrekening met de PKI in de jaren 1965-'66 het land niet meer te bezoeken. Een en ander werpt de vraag op of de Nederlandse Indonesianistiek nog iets actueels te melden heeft.

Stokhof: ""Beslist te weinig, zij het in Amsterdam meer dan in Leiden. Ik probeer al enige jaren belangstellig te wekken voor het opzetten van een moderne Asia-watch. Bij veel Leidse collega's stuit ik op weerstand. Zij zeggen: je moet doen waar je goed in bent en wij zijn goed in malayologie, javanologie en handschriften. Er bestaat onvoldoende inzicht in de economische structuur en de sociaal-politieke situatie van het huidige Indonesië. Daarover is wel kennis voorhanden in Nederland, maar we hebben te weinig specialisten op dat gebied.''

Stokhof probeerde de Leidse Indonesianistiek op een andere manier te actualiseren. Met gebruikmaking van de zogenoemde derde geldstroom, hoofdzakelijk fondsen van ontwikkelingssamenwerking, begon Leiden met een aantal projecten. Zo pakte men, op verzoek van Indonesië, de oude islamologische traditie weer op in de vorm van scholingsprogamma's voor moslim-theologen uit Indonesië, het INIS-project (Indonesisch-Nederlandse Samenwerking Islamitische Studiën). De contacten in Jakarta werden gelegd door Jacob Vredenbregt, de vertegenwoordiger van de Leidse Universiteit ter plekke.

Vredenbregt: ""Men wil in Indonesië, het land met de grootste moslim-gemeenschap ter wereld, islamitische theologen die niet geborneerd zijn, die een ruime blik op de wereld hebben. Indonesië is een seculiere staat en heeft een broertje dood aan fundamentalistisme. De islamitische seminaries in Indonesië, onze counterpart, willen een islam-beleving op z'n Indonesisch. Ze sturen hun beste mensen naar Leiden, om kennis te nemen van de Westerse godsdienstwetenschap. De bestudering van de islam wordt sterk beheerst door geleerden uit het Midden-Oosten: Kairo, Bagdad. Indonesië beschikt zelf over geleerde theologen, maar hun werk is alleen in het Indonesisch gepubliceerd. Een van de doelstellingen van INIS is om wetenschappelijk werk van Indonesische geleerden te publiceren in twee talen, Engels en Arabisch, om een theologisch tweerichtingverkeer met het Midden-Oosten tot stand te brengen. Dit alles met grote instemming van bijna alle kanten, van het ministerie van godsdienstzaken tot en met het leger. Zelfs het werk van Snouck Hurgronje, hier toch een omstreden man, wordt in INIS-verband vertaald!''

Al vóór INIS startte Leiden, opnieuw in samenwerking met Indonesië, het taalontwikkelingsproject ILDEP voor de training van Indonesische taalplanners en -onderzoekers. En vorig jaar kwam IRIS op gang, een programma voor de opleiding en bijscholing van autochtone Papoea-experts, dit ter bevordering van de communicatie tussen de nationale overheid en de lokale bevolking van Irian Jaya.

Agenda

Toen Indonesië minister Pronk op 25 maart van dit jaar bedankte voor verdere Nederlandse ontwikkelingshulp, dreigde het hele bouwwerk in te storten. Het leeuwedeel van de nieuwe activiteiten - het PRIS, de Leidse projecten - werd immers gefinancierd door het directoraat-generaal Ontwikkelingssamenwerking. De "derde geldstroom', die de Nederlandse Indonesianistiek aan een nieuwe generatie geleerden en een nieuwe, evenwichtiger band met Indonesië had geholpen, droogde plotseling op. Leiden weet de lopende projecten ten laste van de eigen begroting nog op gang te houden, zij het op een wat lager pitje, maar na 1 april 1993 is dat geen doen meer.

Toen minister Van den Broek in juli in Jakarta was, kreeg hij van Indonesische zijde te horen dat men alle vormen van samenwerking die buiten het gebied van de ontwikkelingshulp liggen, ook de wetenschappelijke, wil ""continueren en intensiveren''. Hoe dat moet zonder middelen van Ontwikkelingssamenwerking en zonder geldelijke steun van regering tot regering is nog steeds niet duidelijk. Volgende week komt minister Ritzen naar Jakarta om wat onderwijs en wetenschappen betreft de puntjes op de i te zetten.

Nu het voortbestaan van de Indonesianistiek in Nederland voor de tweede maal na de oorlog wordt bedreigd, slaan Leiden en Amsterdam de handen ineen. In juli toog een driemanschap van professoren - Stokhof (RUL), Breman (UvA) en Schoorl (VU) - naar het departement van onderwijs om ambtelijk Den Haag te overtuigen van de noodzaak om deze tak van wetenschap veilig te stellen voor de toekomst.

Stokhof: ""Leiden en Amsterdam zijn het eens. We hebben in Den Haag over de toekomst gesproken en uitgelegd dat Indonesië voor Nederland een poort is naar het vasteland van Zuidoost-Azië en naar de Pacific, een van de meest dynamische regio's ter wereld. Omgekeerd geldt: als Indonesiërs naar Europa, de EG willen, komen ze eerst naar Nederland. Omdat ze bij ons meer begrip veronderstellen èn omdat wij nu eenmaal die specialisten en die bronnen hebben. Veel Aziaten komen via Nederland de wetenschappelijke wereld van de EG binnen.

""Wij hebben op het ministerie een verbreding van de Indonesianistiek naar Zuidoost-Azië-studies voorgesteld, een modernisering onverlet de klassieke studiën. Want zonder een gedegen kennis van taal en cultuur kun je geen oude bronnen behandelen, maar ook geen moderne studies schrijven. Als je die klassieke kennis koppelt aan sociologische, politicologische en economische expertise, dan heb je een enorme voorsprong. En de Indonesiërs willen nog steeds met ons in zee.''