Gesprek in een trein

Vakantiebelevenissen (2) De herfst is in aantocht, de vakanties zijn achter de rug. Deze week de tweede en laatste aflevering vakantieherinneringen. Aan de grens, in de trein en in het Franse hotel leeft Europa. Europa, in de zomer van 1992.

Er zitten acht mensen in een treincoupé. De trein is op weg van Barcelona naar Valencia. Het is augustus en iedereen zweet.

Bij het raam zit mijn geliefde, en ik zit naast haar. Tegenover haar zit een meisje uit Valencia. Zij studeert iets economisch in Barcelona, heeft ze ons verteld, en gaat nu voor een paar weekjes terug naar haar geboortestad en haar ouders. Haar conversatie is prettig. Er hoeft niet over te worden nagedacht, maar houdt toch de aandacht vast. Meisjes weten hoe dat moet.

Tegenover mij zit een jonge Andalusiër. Haar tot in de nek, een schreeuwerig shirt en een walkman waaruit Boys, boys, boys klinkt van Sabrina. Als de tape is afgelopen mengt hij zich ook in de conversatie. Er wordt in de treinen van de RENFE meer gepraat dan bij de NS.

Naast de jongeman zit een wat oudere Andalusiër. Zijn zonverweerd en gegroefd gelaat heeft geen affiniteit met walkmans en Sabrina's, met studies bedrijfskunde of andere moderniteiten. Hij heeft iets in zich van een oude Iberiër, die het erts haalde uit de mijnen van Tartessos. Maar ook kan hij doorgaan voor een nazaat van de Romeinse boer die zijn ploeg verruilde voor het zwaard van de legionair.

Hij is zwijgzaam, zoals dat hoort, maar wil toch wel kwijt dat hij net uit Frankrijk komt, waar hij druiven heeft geplukt. Hij is op weg naar Cádiz, het zuidelijkste puntje van het Spaanse spoorwegnet.

Er zitten ook drie mensen in de coupé die geen Spaans spreken. Bovendien zijn ze niet in het bezit van een reserveringsbewijs dat recht geeft op een zitplaats. Het zijn een jongen en een meisje uit Milaan, zij met strohoed op, hij blond met een staartje, en een roodharige jongen die zwijgend naast mij zit. Zijn vrienden staan temidden van vele, vele Italianen en Spanjaarden buiten op het gangpad. Toen hij ging zitten riep hij nog iets tegen ze, in een zo te horen Scandinavische taal.

Ik besluit dat hij Deen is.

De deur van de coupé gaat open. Een conducteur van RENFE met een onwaarschijnlijk surrealistische snor komt binnen en inspecteert de plaatsbewijzen. “Er zijn hier drie personen zonder plaatsreservering en buiten op de gang staat een meneer die wèl een reservering heeft. Deze toestand kan ik niet tolereren. Een van u drieën zal plaats moeten maken”, zegt hij tot de drie verstekelingen.

Zijn Spaans is onberispelijk. Helaas gaat de inhoud van zijn woorden grotendeels voorbij aan beide Italianen en geheel aan de Deen. Hij probeert het nog eens, iets langzamer. Gelukkig komt dan ook de man met het reserveringsbewijs om de hoek kijken.

Hij blijkt Italiaan en legt de beide Milanezen uit hoe de vork in de steel zit. Vrijwel meteen ontstaat een consensus onder de aanwezigen: de Deen moet eruit. Een Spaans-Italiaans pact werkt in pan-Romaans pidgin al gauw een hele batterij argumenten en rationaliseringen uit waarom de Noorderling moet opkrassen. Zijn vrienden staan ook buiten. De jongen en het meisje horen bij elkaar, belachelijk dus om ze te scheiden. Enzovoorts.

De roodharige Deen krijgt dit alles over zich uitgestort. De sproeten op zijn roodverbrand gezicht geven geen krimp. Hij móét toch begrijpen wat er aan de hand is, al verstaat hij dan geen Spaans of Italiaans.

Mijn geliefde en ik, die ons vanzelfsprekend zonder aarzeling of ruggespraak bij de as Rome-Madrid hebben aangesloten, hadden allang kunnen ingrijpen met onze Hollandse talenkennis, maar er is iets dat ons weerhoudt.

De Italiaanse jongen met het staartje wordt nu echt boos. Hij staat op, gesticuleert heftig en praat op de Deen in, maar deze blijft volharden in zijn Scandinavisch flegma. Dan verschijnt er een satanische glimlach op het gezicht van de jonge Italiaan: “Du giù spic inglisce?”, zegt hij triomfantelijk.

Voor de allereerste maal spreekt de Deen.

“Yes”, antwoordt hij, ijselijk kalm.

De Italiaanse jongen doet zijn mond open.

In de coupé wacht iedereen met spanning op de stortvloed die nu komen gaat. Hij bundelt één, misschien twee seconden lang zijn gedachten. Zijn mond staat nog steeds open. Van waar ik zit kan ik duidelijk zijn huig zien bungelen.

De Deen wacht met lege gelaatsuitdrukking af wat komen gaat. De jonge Italiaan staat daar nog met opengesperde mond, maar langzaam zwelt nu een laag gegrom, een gereutel op uit het diepste van zijn ziel.

“Aaaaaaaaaaaaaaaaah!” klinkt het, “lui parla inglese... MA IO NO!!”