Frans-Duitse toenadering is vooral ingegeven door vrees

Vorig jaar oktober zorgden de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl voor verdere complicatie van het toch al verwarrende veiligheidsdebat toen ze, tot ergernis van Washington en Londen, aankondigden dat ze de bestaande Frans-Duitse Brigade wilden uitbreiden tot een Frans-Duits legerkorps - en later misschien tot een echt Europees korps.

Deze stap verwekte speculaties dat de twee landen er wellicht plannen op nahielden die indruisten tegen die van hun Angelsaksische bondgenoten. Thans, bijna een jaar later, is het Frans-Duitse korps niet van de baan, anders dan sommigen hoopten, zodat de bedoelingen van Frankrijk en Duitsland en de betekenis van hun wat eigenaardige partnership in het Europese integratieproces van cruciaal belang beginnen te worden voor de NAVO en de Europese Gemeenschap. Hoewel er veel wordt gepraat over de militaire betekenis van de nieuwe strijdmacht, heeft de entente cordiale tussen beide Rijnoeverstaten meer te maken met de onderlinge politieke betrekkingen dan met veiligheid.

Volgens de binnen NAVO en EG gangbare opvatting willen de Fransen de Duitsers gebruiken als tegenwicht voor de door de Britten gedomineerde snelle interventiemacht van de NAVO, en willen zij een Europese defensieve instantie in het leven roepen nu de militaire aanwezigheid van de VS in Europa wordt verkleind. Van hun kant hebben de Duitsers de NAVO herhaaldelijk verzekerd dat Frankrijk door het Frans-Duitse korps zal terugkeren in de schoot van de transatlantische familie.

In tegenstelling tot wat algemeen wordt geloofd, is de Frans-Duitse toenadering niet ingegeven door optimisme over de toekomst van de Europese integratie, maar integendeel door de vrees, vooral na het Deense referendum, dat de plannen van de Gemeenschap schipbreuk zullen lijden. Mitterrand en Kohl zijn beiden van mening dat de Frans-Duitse alliantie dè grote verworvenheid van de twintigste eeuw is, die echter in handen van de eerstvolgende generatie bureaucraten weer verloren dreigt te gaan.

Beide heren hebben hun eigen, nationale redenen om te streven naar nauwe Frans-Duitse betrekkingen. Frankrijk is uit op een officiële instantie die de macht van Duitsland kan beteugelen, en natuurlijk op een zo sterk mogelijke reductie van de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa. President Mitterrand, geboren tijdens de Eerste Wereldoorlog, beseft heel goed dat de eenwording van Duitsland niet alleen van invloed is op het machtsevenwicht in Midden-Europa, maar ook op het relatieve belang van Frankrijk in Europa. Een "nee' bij het referendum over de Maastrichtse akkoorden dat deze maand wordt gehouden, zou dit gegeven natuurlijk accentueren. Frankrijk zou dan niet langer in de gelegenheid zijn om het economische en vooral het monetaire beleid van Duitsland te beïnvloeden via de Europese kanalen.

Kanselier Kohl is oprecht van mening dat de hereniging van Duitsland slechts een mijlpaal was langs de weg naar de Europese eenwording. Maar hij maakt zich zorgen over het gebrek aan visie in Brussel en doet, terecht, zijn best de Duitse mark te beschermen. Kohl wijst er graag op dat de Europese integratie al eens eerder door een defensie-kwestie achterop is geraakt, namelijk toen de Fransen in 1952 weigerden het verdrag van de Europese Defensie-Gemeenschap te ratificeren, wat toen leidde tot het NAVO-lidmaatschap van West-Duitsland.

Als één van de weinige politieke gebieden waarop de EG niet het prerogatief had, was defensie dan ook het middel bij uitstek waarmee beide landen hun doelstellingen konden bevorderen. Vragen van Amerikaanse en Britse zijde naar het nut van een Europese militaire instantie naast de NAVO zijn daarom van meet af aan irrelevant geweest. Het Frans-Duitse korps zoekt alleen daarom naar een militair bestaansrecht omdat zijn oorsprong elders ligt: in het politieke beleid van Mitterrand en Kohl.

Er wordt wel beweerd dat de globaal geformuleerde taakstelling van het korps betekenisloos zal blijken zodra de Europese veiligheid echt in gevaar komt, zoals door de Joegoslavische crisis. Maar al mag het Frans-Duitse militaire korps dan een soort gentlemen's agreement zijn - het is geen bindend verdrag krachtens internationaal recht - het Frans-Duitse politieke streven is een feit en laat zich moeilijk meer wegdenken.

Eén van de eerste gevolgen van het akkoord is dat de Europese krijgsmachten zich gedwongen zien tot keuzen op het gebied van wapenaanschaf. In deze tijd van slinkende defensiebegrotingen heeft iedere grote aanschaf consequenties voor het Europese integratieproces. Wanneer een klein land als België, dat zowel in de snelle interventiemacht van de NAVO als in het door Fransen en Duitsers geleide Eurokorps wil deelnemen, besluit tot aankoop van een bepaald logistiek systeem, zou dat consequenties kunnen hebben voor de aansluiting bij de ene dan wel de andere militaire formatie. Zelfs Duitsland kan zich niet langer veroorloven om tegelijk zowel het transatlantische als het Frans-Duitse boodschappenlijstje af te werken.

De Duitsers neigen er dan ook steeds sterker toe een Franse partner te zoeken voor belangrijke bewapeningsprojecten.

Ook als de Duitse grondwet niet verbood troepen buiten het NAVO-gebied in te zetten, zou Duitsland in de Middellandse Zee slechts minimale belangen hebben. Duitslands geografische ligging in het hart van Europa en 's lands status als toevluchtsoord voor vluchtelingen uit het Oosten maken het des te onwaarschijnlijker dat Duitsland belang zou stellen in het Franse Mediterrane kustgebied.

Ondanks deze evidente tegenstrijdigheden vreest menigeen dat het pact tussen Frankrijk en Duitsland de NAVO zal ondermijnen. En inderdaad zal de NAVO veranderen, zij het niet verdwijnen, door de komst van het Frans-Duitse korps: de militaire tak van de NAVO zal minder prominent, de politieke tak prominenter worden. Hoewel Frankrijk en Duitsland op het gebied van de wapenaanschaf en -ontwikkeling nauwer zullen gaan samenwerken, zal Duitsland het Atlantische bondgenootschap blijven zien als een belangrijke pijler van de veiligheid in Europa. De Britten met hun beroepsstrijdkrachten uitgezonderd, zullen de belangrijkste militaire mogendheden in Europa legers van dienstplichtigen houden voor de verdediging van het eigen land, naast grotendeels uit vrijwilligers bestaande interventietroepen die in staat zijn onderling samen te werken. Het resultaat zou wel eens een door Frankrijk en Duitsland geleid Euro-korps kunnen worden, dat opereert naast de snelle interventiemacht van de NAVO, die ook Amerikaanse elementen zal bevatten.

In een reële wereld zijn doctrines niet in hun zuiverste vorm te handhaven. De keuze in dit geval is er niet één tussen de NAVO en het Euro-korps, maar betreft de toekomstige politieke en economische positie van Frankrijk en Duitsland in het Europa van na de Koude Oorlog.

© The Wall Street Journal.