"Er is geen enkel alternatief voor Europese eenwording'

BONN, 12 SEPT. “Nee, voor schadelijke effecten op de Frans-Duitse relatie zijn we niet zo bang, uit opiniepeilingen blijkt al vele jaren dat de beide bevolkingen het goed met elkaar kunnen vinden. En dat uit de Franse classe politique rondom de verdragen van Maastricht waarschuwingen opklinken voor Duitse dominantie in Europa, heeft ook met onzekerheden, ja met een crisis in de Franse politieke klasse zelf te maken.”

De CDU'er Karl Lamers, voorzitter van de buitenlandcommissie van zijn partij in de Bondsdag en één van kanselier Kohls informele adviseurs, reageert heel kalmpjes op de verwijzingen naar "Duitse demonen' of "de triomf van de D-mark' die Franse politieke voor- en tegenstanders van het Verdrag van Maastricht maken in de campagne naar het referendum daarover van 20 september.

“Dat gaat voorbij, het is de afgelopen dagen al wat minder geworden en gelukkig groeit de belangstelling van de Franse kiezers voor het referendum, dat is een goed teken. Het is trouwens eigenlijk ook goed dat er tussen die kiezers en hun politici zo'n debat over Duitsland is, drie jaar na de val van de Berlijnse Muur.

“Weet u, sommige Franse politieke vrienden hebben ons zelfs vooraf ingelicht er er begrip voor gevraagd dat zij (ook) met dit thema zouden gaan werken. Welke politici en op welk niveau? Dat vertel ik u niet, maar het waren niet alleen parlementariërs”, zegt hij met een lachje.

Vooraf ingelicht over komende onvriendelijkheden aan het Duitse adres? En dan zó reageren? Dat lijkt, al is het onbedoeld en paradoxaal, de in Frankrijk gevreesde nieuwe zelfbewustheid van het verenigde Duitsland te illustreren. De Nederlandse luisteraar moet onwillekeurig even denken aan de afspraak die de toenmalige premier Dries van Agt ooit, eind '79, na een dramatisch Kamerdebat over de kruisraketten, maakte met de ongeruste voorzitters van KVP, ARP en CHU, de partijen die op weg waren naar één CDA. Namelijk dat zij, ter nadere compensatie van de smart in hun linkervleugels, een kritische open brief aan premier Van Agt en zijn kabinet zouden schrijven. Dat die brief uiteindelijk kritischer uitviel dan Van Agt lief was, zoals nu ook sommige Franse geluiden Bonn wel wat ver gaan (Kohl: “We moeten ons daartegen gepast teweerstellen”, is een tweede.

Die crisis van de Franse politieke klasse komt niet onverwacht. “Zij wordt bepaald door de grote veranderingen in Europa en de Duitse eenwording. De Franse politieke Sonderrolle is voorbij en daarmee ook het in de afgelopen decennia gegroeide zelfgevoel van een aantal Franse politici”, verzekert Lamers. Hij zegt de politieke verhoudingen in Nederland dankzij geregelde contacten met CDA-collega's aardig te kennen en meent te weten “dat daarover in Nederland niet anders wordt gedacht”. Maar hij doet weer een slot op de mond als ik hem vraag of premier Lubbers en kanselier Kohl in hun de afgelopen maanden “geïntensiveerde contacten” over de toekomst van "Maastricht' dat ook zo bespreken.

Wat de CDU/CSU en de FDP betreft, “maar dat geldt ook voor de SPD”, moet de angst voor Duitsland, en de wens om de Bondsrepubliek geïntegreerd te houden (of sterker te krijgen) in Europa “als negatief argument” uit de Europese discussie verdwijnen. Niet dat niet meer zou gelden wat van Konrad Adenauer tot de huidige kanselier geldt, namelijk: “Duitsland is ons vaderland, Europa onze toekomst”, maar omdat jongere generaties “recht hebben op betere, positieve argumenten voor Europa”.

“Als Duitsland iets uit zijn geschiedenis heeft geleerd, dan is het wel dat morele categorieën deel moeten uitmaken van zijn politiek. Jongere generaties moeten veel meer worden gewezen op de taak die de Europese Gemeenschap heeft. Elke drie jaar groeit de wereldbevolking met evenveel mensen (340 miljoen) als de EG inwoners heeft, elke negen maanden komen er 80 miljoen mensen bij, zoveel als de Duitse bevolking. Er is een groeiende kloof tussen arm en rijk, milieu- en vluchtelingenproblemen zijn niet alleen binnen maar ook buiten de Gemeenschap grensoverschrijdend, de mondiale uitdaging voor Europa is enorm.

“Maastricht is maar een tussenstation in een historisch proces, er zou iets als een Europese verklaring moeten komen over die taken van de Gemeenschap en haar ideële basis, dát begrijpen jonge mensen veel beter dan die inderdaad gecompliceerde teksten van Maastricht. Het probleem is dat de nationale staat, niet de natie als cultureel-sociale identificatiefactor, zichzelf op politiek, economisch en maatschappelijk gebeid heeft overleefd. En dat terwijl Europa nog niet ver genoeg is om een antwoord te geven op de onzekerheden van mensen in een razendsnel veranderende wereld waarin grenzen niet veel meer betekenen. Ik weet dat er vooral in Nederland en Frankrijk veel over dreigend identiteitsverlies wordt gesproken. Maar Europa is niet, zoals men soms zegt, de oorzaak maar het gevolg van zulke problemen. Er is geen alternatief voor Europa, ook niet voor zijn identificatiewaarde. Het vaak misbruikte woord van Hegel, "vrijheid is inzicht in wat noodzakelijk is', is hier in de waarste zin van toepassing.”

Maar in Duitsland zelf leven toch grote bezwaren tegen "Maastricht', vooral tegen het verdwijnen van de D-mark? Was Oskar Lafontaine er niet als de kippen bij om te pleiten voor verwerping van het verdrag?

“Zeker, maar ik heb de SPD nog zelden een eis van Lafontaine zo snel zien afwijzen. En, natuurlijk, dat verdrag moet weliswaar worden geratificeerd maar als dat gebeurd is zal er in de komende jaren nog wel het een en ander moeten veranderen. Bijvoorbeeld moet er een versterking van de democratische rechten van het Europese Parlement komen. Maar heronderhandelingen na een Frans "nee' zijn niet alleen ondenkbaar omdat dan iedereen op zijn oude posities terugvalt maar ook omdat de politieke kansen op compromissen dan zeer verslechterd zijn.”

En als het Franse referendum negatief eindigt, wat dan? Sommige kandidaat-leden, van de EG, zoals de Scandinavische, zouden dat misschien niet zò erg vinden. Zij verlangen, net als Londen, toch meer naar de economische voordelen van de vrije Europese binnenmarkt dan naar het soevereiniteitsverlies van het Maastrichtse verdrag?

“Ja, wat dan. Dan moet de politieke én economische verdieping van de Gemeenschap echt vóórgaan boven uitbreiding, ik ken niemand in Bonn die dat anders ziet. De Britse premier Major heeft daarover pas een goede rede gehouden, ik zie nu even af van wat hij zei voor zijn Conservatieve Bühne thuis. En de as Parijs-Bonn, de Frans-Duitse verzoening binnen Europa, is er juist ook de uitdrukking van is dat een rampzalige Duits-nationale hegemonie-politiek tot het verleden behoort, die as is niet gevaarlijk voor anderen.

“Dat de ministers van buitenlandse zaken van de Westeuropese Unie in hun recente "Petersberger' verklaring (19 juni) de WEU in beginsel als instrument tegen schending van mensenrechten in Europa konden aanbevelen was alleen denkbaar tegen de achtergrond van het bestaan de Frans-Duitse plannen voor een gemeenschappelijk legerkorps dat ook openstaat voor andere leden. Ik weet van Nederlandse collega's dat zij dat net zo zien.”

Wie naar het debat in Frankrijk luistert krijgt wèl de indruk dat het zeker in economisch opzicht niet ideaal gesteld is langs de as Parijs-Bonn, zeker wat de Franse angst voor dominantie door de D-mark aangaat. Is het verwijt dat "Maastricht' de D-mark alsnog een slag laat winnen die de Wehrmacht een halve eeuw geleden heeft verloren niet veelbetekenend?

“Dat is echt onzinnig. De reactie van de financiële markten op het negatieve Deense referendum gaf een mooi voorbeeld. De D-mark werd toen overal hoger genoteerd en in haar leidende ankerrol bevestigd. Gegeven de ook in Denemarken levende bezwaren tegen een sterke Duitse positie in een verenigd Europa moet dat toch een hoogst paradoxaal gevolg zijn geweest. Behalve de Deense kroon kwamen vooral de valuta onder druk te staan van landen die in verband met de eisen van de monetaire unie (EMU) hun huis fiscaal, monetair en begrotingstechnisch op orde moeten brengen.

“De D-mark is voor de Duitsers een identiteitssymbool, een gevolg van discipline en prestatie, daarom ook zijn veel Duitsers zo bang dat straks niet aan EMU-eisen zou worden vastgehouden, Daar moeten we op staan, hoe moeilijk dat eventueel ook voor, zeg, een land als Italië zou zijn. Het gaat ook hier niet om Duitse hegemonie, maar om een gemeenschappelijke financiële discipline. En wie de EMU niet wil roept onbedoeld juist een sterkere rol van de D-mark in Europa over zichzelf af.”