Eenheid op de pof

Westduitsland pompt miljarden marken in de nieuwe deelstaten. Dit jaar gaat het om een bedrag van 180 miljard D-mark.

Twee jaar geleden, toen de Duits-Duitse eenwording een feit werd, overheerste het optimisme. Met een nieuw Wirtschaftswunder zou de verarmde ex-DDR wel eventjes naar het Westduitse niveau worden getild. Die droom is niet uitgekomen. Het Oostduitse bedrijfsleven is met zijn verouderde machinepark niet in staat concurrerend te werken. Vergeleken met 1989 is de industriële produktie met ongeveer 60 procent gedaald. De werkloosheid loopt er in 1992 naar verwachting met ruim 300.000 personen op naar de 1,25 miljoen. En door de enorme loonsverhogingen in het oosten blijven de particuliere investeringen weg.

De miljardensteun van de Duitse overheid blijft voorlopig broodnodig. Volgens een schatting van het Institut der Deutschen Wirtschaft gaat het daarbij tot het eind van deze eeuw om een bedrag van in totaal ruim 1500 miljard mark. Per Westduitser is dat gemiddeld 25.000 mark.

Waarvan moet Duitsland dat betalen? Tot nu toe financierde de Duitse overheid de lasten van de eenwording voor het grootste deel met geleend geld. Voor de Westduitse belastingbetaler lijkt de eenheid op de pof op het eerste gezicht een aantrekkelijke zaak. De nieuwe landgenoten worden geholpen, zonder dat het hem een pfennig kost. Maar dat is schijn. Lenen is niet anders dan uitstel van betaling. Uiteindelijk moet de belastingbetaler toch, in de vorm van hogere belastingen, opdraaien voor de aflossing van de staatsschuld. Door de hulp aan de nieuwe deelstaten te betalen met geleend geld, draait de Duitse regering haar burgers een rad voor de ogen. Bovendien zit aan die financieringswijze nog een aantal andere nadelen.

Sinds 1990 is de Duitse staatsschuld snel toegenomen, sneller dan het Duitse nationaal inkomen. In 1990 was de staatsschuld nog geen 40 procent van het nationaal inkomen, nu is dat percentage (de zogeheten staatsschuldquote) al gestegen tot bijna 50. Daarmee zullen de lasten van de staatsschuld - aflossing en rente - een steeds zwaarder beslag leggen op de Duitse begroting.

De krediethonger van de Duitse overheid lokt heel wat buitenlandse beleggers. Begrijpelijk. Wie zijn spaargeld in Duitsland parkeert, ontvangt een riante rente. En het risico dat de Duitse mark van de ene op de andere dag in waarde keldert, is te verwaarlozen. Het buitenlandse kapitaal is nodig om het gat in de Duitse begroting te dekken, maar het heeft ook een negatief effect op de Duitse economie. Die kapitaalstroom vergroot de geldhoeveelheid. Immers, als bij voorbeeld een Frans pensioenfonds wil beleggen in Duitse staatsobligaties, moet het eerst zijn Franse francs bij de bank omwisselen voor Duitse marken. Hierdoor neemt de geldhoeveelheid in Duitsland toe. Kapitaalinvoer betekent geldschepping. "Halt! Stop!', roept dan de president van de Bundesbank, de Duitse centrale bank. Extra geld waar geen extra produktie tegenover staat... dat leidt tot overbesteding en dus prijsstijgingen, inflatie. En dat is sinds de hyperinflatie van de jaren twintig een Duitse trauma. Kortom, de Bundesbank trapt op de rem. Om de bestedingen in Duitsland te matigen en zo de prijsinflatie in de hand te houden, verhoogt de Duitse centrale bank de rente. Kopen op krediet wordt duurder; voor consumenten, maar ook voor producenten. Minder bestedingen, minder orders, minder produktie, minder investeringen. De Duitse economie begint te kwakkelen. Ook de Westduitse.

Maar ook de rest van Europa krijgt de rekening gepresenteerd. De landen van het Europees Monetair Stelsel (EMS) hebben met elkaar afgesproken dat hun wisselkoersen ten opzichte van elkaar niet te veel mogen schommelen. Als de Bundesbank haar rente verhoogt, wordt het kopen van Duitse marken aantrekkelijker. Fransen, Britten en Italianen wisselen hun valuta om in Duitse marken. De veelgevraagde mark stijgt in koers en de overige koersen zakken. Om dat te vermijden, moeten de centrale banken van de andere EMS-landen wel meedoen met de Duitse rentestijging. Ook zij verhogen hun rente en geven daarmee hun economie een fikse duw naar beneden. Zeker voor landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië, die het economisch toch al niet voor de wind gaat, is die hoge rente maar moeilijk te verkroppen. Is het een wonder dat ze daar steeds minder vertrouwen lijken te krijgen in de weldaden van een Verenigd Europa?

De oplossing voor het probleem ligt voor de hand. De Duitse regering zal haar burgers zwaarder moeten belasten. De Westduitsers moeten koopkracht afstaan aan hun minder bedeelde landgenoten. Dat is niet alleen een kwestie van solidariteitszin, maar vooral van realiteitszin. Door de rekening van de eenwording te betalen uit een belastingverhoging, vermindert het inflatierisico. Hierdoor kan de Bundesbank zijn geldbeleid een stukje versoepelen, de Duitse rente daalt. En dan kan ook de rente omlaag in de landen die hun munt aan de Duitse mark hebben gekoppeld. Dat is goed voor Europa en uiteindelijk ook voor Duitsland zelf.