Een krap hok voor Europa's munt

Europa koerst aan op één Europese munt. Straks gemakkelijk voor toeristen en zakenlui. Maar nu nog een hele kluif voor nationale overheden. Derde deel van een serie over "Maastricht' en Nederland.

Nederland moet in het hok. Trouwens niet alleen Nederland, maar alle landen van de Europese Gemeenschap die straks willen afrekenen en betalen met die ene Europese munt. De ecu of de frank, misschien de florijn. De naam is nog niet zeker, maar de maten van het hok waarin de deelnemers zich moeten wringen om de overstap naar één munt te maken, liggen vast. Ze zijn afgesproken in de verdragsteksten over de Economische en Monetaire Unie (EMU) waarover de Europese regeringsleiders december vorig jaar in Maastricht overeenstemming bereikten.

Het is een krap hok, van vier-dimensionele afmetingen. Als het hok vandaag zou worden getimmerd, zouden slechts twee landen binnen de toegemeten ruimte passen: Luxemburg en Frankrijk. Een derde land, Denemarken, ligt tegen de wand. De overige EG-landen voldoen niet aan een of meer van de maten. Ze moeten zich dus aanpassen, ze moeten afslanken, indikken, opschonen, flexibeler worden. Anders staan ze straks onherroepelijk buiten de deur als tegen het einde van de eeuw de EG-landen de maat wordt genomen om te beoordelen of ze aan de EMU-voorwaarden voldoen.

De gedachte van één munt in de Europese Gemeenschap lijkt eenvoudig. Straks is het "Project 1992' afgerond: vanaf 1 januari 1993 bestaat de Interne Markt die het vrije verkeer van goederen en diensten in de EG mogelijk maakt. Alles kan dan de grens over zonder een verplichte stop voor lastige douaneformulieren. Maar wie van het ene EG-land naar het andere reist, of een grensoverschrijdende betaling wil verrichten, moet nog steeds een bezoek brengen aan een bank om geld te wisselen. Franken, marken, ponden, guldens, kronen, drachmes, escudos en pesetas. Wie met honderd gulden een rondje maakt langs alle lidstaten van de EG en bij iedere grensovergang zijn geld wisselt, heeft bij thuiskomst twaalf gulden over. Zonder iets gekocht te hebben.

Eén markt, één munt. Dat is gemakkelijk voor toeristen en zakenlui. Zo hoort het in een Gemeenschap op weg naar integratie, de grootste economische markt ter wereld. En zo is het toch ook in de Verenigde Staten?

Maar geld is een attribuut van souvereiniteit, zoals dr. Holtrop, een vorige president van De Nederlandsche Bank al in 1963 schreef. Als een land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op. Ook al mag straks op de achterkant van de Europese munt ieder land een eigen nationaal symbool afdrukken: een koning(in), Marianne, een onafhankelijkheidsstrijder, een componist of schrijver. Dat oogt mooi en dempt sentimentele weerstanden, maar van economische betekenis is het niet.

Een land levert veel meer in dan sentimenten als het de "snip' en de "vuurtoren' afschaft, als een knaak en een piek uit het spraakgebruik verdwijnen om plaats te maken voor de gemeenschappelijke munt zonder naam en zonder traditie. Geld raakt alle aspecten van het bestaan, geld is de smeerolie van de economie, het is een maatstaf zodat goederen en diensten gemakkelijk kunnen worden geruild, een overbrugging van tijd en ruimte die kan worden verplaatst of opgeslagen zonder zijn waarde te verliezen. Het is in wezen een band van vertrouwen tussen de verantwoordelijke overheid en zijn burgers, een vorm van beschaving.

Eén markt, één munt, dus. Maar welke munt? Wie vandaag zijn pensioenpremie in guldens betaalt, wil over twintig jaar geen uitkering in een waardeloze munt ontvangen. Het Europese geld van straks moet, zoals de Duitsers niet ophouden te zeggen “ten minste even hard zijn” als het hardste geld van vandaag. Anders is het een stap achteruit.

Pag.18: Nederland in kopgroep monetaire unie

De opstellers van het EMU-verdrag - de ministers van financiën en de centrale bankpresidenten - hebben een doorwrocht schema uitgewerkt om de grootst mogelijke zekerheid te hebben dat de toekomstige gemeenschappelijke munt deugdelijk zal zijn. Waterdichte garanties zijn nooit te geven, maar de voorwaarde die zijn opgesteld voor de overgang naar één munt en de statuten van de toekomstige Europese centrale bank fungeren als veiligheidsgordels om ongelukken te voorkomen. Die veiligheidsgordels zijn hoofdzakelijk van Duitse makelij. Want Duitsland heeft na de Tweede Wereldoorlog een reputatie opgebouwd van monetaire stabiliteit en de D-mark is over de jaren heen de hardste munt in Europa geworden.

De twee in het oog springende kenmerken van de Bundesbank, de Duitse centrale bank, zijn de voorrang voor prijsstabiliteit en de politieke onafhankelijkheid. In Bonn en daarbuiten kunnen politici klagen wat ze willen, als de Bundesbank van mening is dat de prijsstabiliteit in gevaar is, dan voert ze een krap-geldbeleid zolang het haar goeddunkt. De wijze waarop de Bundesbank op het ogenblik haar onafhankelijkheid en toewijding aan prijsstabiliteit etaleert, bewijst de toekomstige Europese centrale bank (ECB) een grote dienst: die kan straks voortbouwen op een gevestigde, aanvaarde traditie.

Ook de ECB heeft prijsstabiliteit als voornaamste taak en in het verdrag gegarandeerde politieke onafhankelijkheid. Als de ECB eenmaal functioneert, krijgen de nationale centrale banken vooral uitvoerende taken en ze hebben zitting in het bestuur van de Europese bank. In landen waar dat nog niet het geval is, moeten ze politieke onafhankelijkheid krijgen. De Banque de France, de Bank of England en de Zuideuropese centrale banken zullen wat dat betreft nog een leerproces moeten doormaken. Zelfs het "aanwijzingsrecht' dat voor De Nederlandsche Bank in de wet is opgenomen (de minister van financiën kan de president van De Nederlandsche Bank een dwingende opdracht geven) moet op de helling.

Een oerdegelijke monetaire instelling is onmisbaar, maar niet genoeg om een gezonde munt zeker te stellen. Daarvoor moet ook sprake zijn van een behoorlijk, samenhangend economisch beleid. En op dit punt is het EMU-verdrag niet eenduidig. Want het stelt wel macro-economische regels op waaraan landen moeten voldoen om de definitieve stap naar onverbrekelijk aan elkaar geklonken wisselkoersen te mogen maken, het laat de deelnemende staten vrij om een nationaal economisch beleid te voeren. Tussen die twee zal het nog stevig gaan wringen en dat zal nog veel politieke pijn opleveren. De afspraak die in artikel 103 van het verdrag is opgenomen dat de regeringsleiders “globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten” zullen vaststellen, is te vaag om conflicten te voorkomen. Het was trouwens helemaal niet de bedoeling van "Maastricht' om tot een begin van een federaal Europees economisch beleid te komen.

Uit de drukpan van de politieke onderhandelingen is in Maastricht een ingewikkelde kalender gekomen om de overgang naar één munt te maken. Dat gebeurt als op 1 januari 1997 een meerderheid van EG-landen aan de gestelde voorwaarden voldoet. Zo niet, dan wordt deze stap op 1 januari 1999 gezet met ieder aantal landen dat daarvoor in aanmerking komt. De ECB zal op 1 januari 1997 of uiterlijk op 1 juli 1998 worden opgericht. En om het nog ingewikkelder te maken: ter voorbereiding van de ECB zal op 1 januari 1994 een Europees Monetair Instituut worden opgericht. Ter voorkoming van een schokbehandeling op het moment dat de slotfase van de monetaire unie ingaat, is een aanloopperiode ontworpen waarin landen zich kunnen voorbereiden op de criteria waaraan ze moeten voldoen.

Daar draait het om, de voorwaarden die het verdrag stelt. Het zijn regels voor een gezond begrotingsbeleid en voor een degelijk monetair beleid, het zijn de standaardregels voor goede openbare financiën die ook zonder een monetaire unie behoren te gelden. Landen die zich over een langere periode aan deze regels houden, hebben een grotere stabiliteit en meer welvaart dan landen die ze aan hun laars lappen. Sommige landen hebben een traditie om deze regels te schenden, andere landen doen hun best zich er aan te houden. Het Nederlandse aanpassingsbeleid dat vanaf 1982 door het CDA en de VVD werd gevoerd - en sinds de Tussenbalans van 1991 wordt omarmd door de PvdA - is in wezen een trage toepassing van de EMU-eisen.

Lage inflatie, een stabiele munt en zo laag mogelijke rente: deze criteria liggen voor de hand voor ieder land dat een monetaire hervorming doorvoert. Het zou vreemder zijn als in een open internationale economie andere eisen zouden worden gesteld. Wie zijn guldens straks moet inruilen voor een instabiele Europese munt met een hoge inflatie, vlucht in de Zwitserse frank, in de Japanse yen of (wie weet tegen die tijd) in de Amerikaanse dollar.

Het tweede cluster eisen heeft te maken met de overheidsfinanciën. Het begrotingstekort en de omvang van de staatsschuld moeten beperkt zijn (tot respectievelijk 3 procent en 60 procent van het bruto binnenlands produkt). Ook die normen zijn begrijpelijk, want als ze niet worden gesteld, zou een land met een gezonde begroting gedwongen zijn de spilzucht van een andere deelnemer te financieren. En dat doen politici nooit. Bovendien zijn een chronisch begrotingstekort en een torenhoge staatsschuld de beste manier om de hardheid van een munt uit te hollen.

Dit is het hok waarin de EG-landen moeten passen als ze willen meedoen. Verdere eisen stelt het verdrag van Maastricht niet. En zelfs is er nog een ontsnappingsclausule wat betreft de begrotingsdiscipline: artikel 104 C stelt dat een land “in voldoende mate en in een bevredigend tempo” de gestelde eisen moet benaderen. Dat is een wagenwijd geopende deur die een politiek besluit mogelijk maakt op de dag des oordeels. Nederland en gelijkgezinde landen zullen een rekkelijke interpretatie van het EMU-verdrag afwijzen en vasthouden aan een precieze toepassing van de criteria. Dat wil zeggen: niet alle huidige EG-landen zullen de sprong naar één munt voor het einde van deze eeuw maken. Er zal een harde kern ontstaan, van Frankrijk, Duitsland, Denemarken en de Benelux. Andere landen kunnen daarbij aanhaken.

Voor Nederland is er geen vuiltje aan de lucht. Als minister Kok of diens opvolger na 1994 het huidige sobere beleid voortzet, stapt Nederland in de eerste groep van één munt, ook al zal de omvang van de staatsschuld dan nog aanzienlijk boven de EMU-norm liggen maar zich in de gewenste richting bewegen. Nederland voldoet.

Binnen de boekhoudkundige eisen van de EMU mag ieder EG-land verder doen wat het zelf wil. Het mag een hoog of een laag toptarief van de belastingen heffen, het mag een omvangrijk vangnet van de sociale zekerheid in stand houden of een beperkt basisstelsel. Ieder land mag zelf weten of het een OV-jaarkaart of een spitsvignet, een milieubelasting op het grondwater of een nationale gezondheidszorg koestert. Het nationale parlement blijft beslissen of geld wordt ingezet voor onderwijs of voor huursubsidie, voor investeringen in dijkverzwaring of in flitstreinen. Koopkrachtplaatjes en het maatschappelijk middenveld kunnen in het post-EMU-tijdperk tot de Nederlandse folklore blijven behoren.

Eén markt, één munt en niets aan de hand, dus? Toch wel. Want de combinatie van de interne markt, die in 1993 van kracht is, en de gemeenschappelijke munt die tegen het einde van de eeuw wordt ingevoerd, stelt Nederland bloot aan de financiële en economische eigenaardigheden van andere EG-landen. Er zal sprake zijn van een steeds grotere beleidsconcurrentie. De kleine spaarder die geen zin heeft om belasting te betalen over zijn rente-inkomsten, boven de duizend gulden die in Nederland vrij is toegestaan, opent een rekening in Duitsland waar een belastingvrijstelling tot 10.000 D-mark geldt. De ondernemer die betere zaken verwacht te doen als hij minder premies hoeft af te dragen, verplaatst zijn produktiebedrijf naar een EG-land zonder onbetaalbaar geworden sociale voorzieningen.

Het effect van de interne markt met één munt zal dan ook zijn dat de deelnemende lidstaten gedwongen worden meer op elkaar te letten en meer op elkaar gaan lijken wat betreft sociaal-economische inrichting. Nederland zal daarom niet ontkomen aan aanpassingen, maar dat geldt ook voor de overige landen. Het is geen gewaagde voorspelling om te verwachten dat de sociale markteconomie, de kapitalistische welvaartsstaat zoals die door sociaal-democraten en christen-democraten de afgelopen honderd jaar in de noordwestelijke hoek van het Europese continent is opgebouwd, in een "Gemeenschap van meer snelheden' grosso modo stand zal houden.