Dutch courage

Wat staat redacteur Rob Meines voor ogen in zijn pleidooi voor een Nederlands defensiebeleid dat "nog meer durf vergt' van onze toch al niet bang uitgevallen politici (NRC Handelsblad, 29 augustus)?

Meines vindt minister Pronks pleidooi voor verhoging van de defensieuitgaven niet alleen belangwekkend (maar) ook boeiend omdat het uit de mond komt van iemand die tot nu toe verlaging van de defensieuitgaven nastreefde. Het boeiende zit hem vooral in het opzienbarende feit dat Pronk de defensieuitgaven wilde verlagen toen Nederland nog onder schot lag van Sovjet-raketten en andere helse machines, en ze nu wil verhogen terwijl er van geen enkele dreiging meer sprake is.

Sommige lezers zouden hieruit de conclusie kunnen trekken dat we een volslagen idioot als minister hebben rondlopen, maar wellicht gaat het hier louter om het verschil tussen moed die de drinker in de benen zakt wegens de kracht van de tegenstander die het bovendien op de drinker zelf heeft voorzien, en de al genoemde Dutch courage die tot (andermans) daden aanspoort in geval van een geschil met een zwakkere tegenstander waarbij de drinker bovendien zelf buiten schot kan blijven.

Er is nog een verschil, en Meines noemt het zelf. Aan de ene kant roemt hij de "enthousiaste bereidheid' van de PvdA-leiding om er in Bosnië-Herzegovina militair eens lekker tegenaan te gaan, aan de andere kant bespeurt hij onwil bij Jan Soldaat, bij wie “voor uitzending naar Joegoslavië de animo buitengewoon gering blijkt te zijn.” Hier gaat het om het verschil tussen degenen, die de kastanjes in het vuur gooien en degenen, die ze er weer uit mogen halen.

Teneinde toch iedereen op één moedige lijn te krijgen waagt Meines zich aan een stelling van eigen makelij die als volgt luidt: “Het begrip "vredestijd' heeft zijn functie (sic!) grotendeels verloren; er is eerder sprake van een permanente oorlogstijd”, met welke goocheltruc hij te kennen geeft uit hetzelfde wrakhout te zijn gesneden als de door hem zo boeiend gevonden minister van ontwikkelingszaken. Vervolgens ontvouwt hij zijn voorstel: “of meer legeronderdelen instellen (?) die alleen uit beroepsmilitairen zijn samengesteld, eventueel tot en met een volledig beroepsleger, of de mogelijkheid vergroten dienstplichtigen ook tegen hun wil uit te zenden.”

Kortom, ook Meines wil vaderlands bloed zien vloeien, tot heil van de wereldvrede en van zijn eigen zuivere geweten.

    • C.J. Visser