De partijen van Spasski in de laptop van Bobby Fischer; "Ik heb niet genoeg geheugen'

Hongerig naar informatie ontving schaker Bobby Fischer deze week een Nederlandse schaakjournalist in zijn appartement. Dirk-Jan ten Geuzendam, redacteur van het magazine New in Chess en medewerker van NRC Handelsblad, was drie kwartier te gast bij een sterk in zichzelf gekeerde figuur die door een monomane fixatie kwaad om zich heen kan slaan.

SVETI STEFAN, 12 SEPT. Met een knikje herkent de laatste bewaker die ik op mijn weg tegenkom mijn begeleider en laat ons het gietijzeren hek passeren. Even bekruipt me nog de twijfel. Gaat het echt gebeuren of sta ik over een paar seconden in een lege ruimte? Tijd om mijn vrees uit te werken krijg ik niet. De deur die toegang geeft tot de woonkamer van het mooiste appartement op het burchteilandje Sveti Stefan staat open en voordat ik het weet sta ik tegenover hem. Bobby Fischer komt uit zijn stoel omhoog om me een hand te geven. Groot, gezet, en met onhandige motoriek. Welwillend, maar met gejaagde ogen ondergaat hij de situatie, duidelijk niet gewend om bezoek te ontvangen.

Svetozar Gligoric, de éminence grise van het Joegoslavische schaken die me is komen ophalen, neemt het initiatief en beantwoordt Fischers vraag waar het programma is. “Het programma en de Spasski-files worden momenteel in je laptop geïnstalleerd. Met de 50.000 partijen die hij ook mee heeft genomen wachten we nog even want je hebt niet genoeg geheugen.”

“Oh, ik heb niet genoeg geheugen”, herhaalt Fischer. De harde, dreunende manier waarop hij zijn zinnen uitspreekt overtuigt me snel dat dit geen grapje was. Uit mijn tas diep ik een dik pak papier op. De prints van 1.500 Spasski-partijen geordend op opening en dezelfde selectie op chronologische volgorde. Gligoric merkt op dat de oudste geciteerde partij van Spasski uit 1948 dateert. Fischer herhaalt met enige verbazing “1948” en moet hard lachen. Hij is duidelijk in zijn sas met de partijenverzameling en gaat ermee aan tafel zitten als een hongerige puber met een Big Mac met frietjes.

Dan is er een probleem. “Zijn de pagina's niet genummerd”, stoot hij uit en kijkt hulpeloos om zich heen. Nee, die zijn niet genummerd. Eugene Torre, zijn Filippijnse secondant staat op en spreekt hem toe als een zorgzame vader. “Weet je wat we kunnen doen? We kunnen ze nummeren. Dat is veel handiger.” “Ja, jij kunt ze nummeren. Dat doen we.” Fischer is opgelucht. Maar niet lang. “Maar moeten we ze dan onder- of bovenaan de pagina nummeren? Wat zou het beste zijn?” Zijn stem is echt heel hard en nu probeert iedereen hem van advies te voorzien. Torre wijst hem er zachthandig op dat onderaan de pagina de meeste ruimte is. Fischer stemt in en herhaalt enkele keren dat de pagina's onderaan genummerd moeten worden.

Pag 11: 'Timman doet ook mee. Hij heeft partijen weggegeven aan de Sovjets'

Dan schiet hem een nieuw detail te binnen. “Maar welke kleur pen zou het beste zijn? Wat zou het duidelijkste zijn?” Mij lijkt een contrasterende kleur wel iets, maar uiteindelijk gaat Fischer akkoord met het zart van Gligoric omdat dat beter past bij de rest.

De enige die zich nergens mee bemoeit is Zita, het negentienjarige Hongaarse meisje dat Fischer tot zijn come-back bewogen zou hebben. Stilletjes zit zij voor zich uit te lezen. Af en toe glimlacht ze. Niemand besteedt enige aandacht aan het lelijke eendje. Ook Fischer kijkt niet eens naar haar. Alleen wanneer hij een half uur later niet helemaal zeker is van zijn postbusnummer vraagt hij haar wat het ook weer was.

Mijn eerste vijf minuten in het gezelschap van Bobby Fischer hebben me niet van mijn stuk gebracht, maar voor een schok hebben ze zeker wel gezorgd. Is dit de man die de hele schaakwereld aan zijn voeten kreeg met zijn kristalheldere speelstijl? De elfde wereldkampioen die door velen, Garry Kasparov incluis, gezien wordt als het grootste schaakgenie dat we ooit mochten aanschouwen? De kluizenaar van Pasadena waar journalisten twintig jaar vergeefs jacht op maakten?

Het zijn de vragen van een verbijsterde fan die woensdagmiddag zijn jeugdidool voor het eerst een partij zag spelen en niet blij was met de poppenkast die hij zag. Het tot speelzaal verbouwde restaurant van hotel Maestral doet het meeste denken aan een kleine fabriekshal en suite. In plaats van schuifdeuren hangen er grote gordijnen die tijdens de partijen geopend zijn. En de ene helft van de ruimte zitten de pers en de toeschouwers. Tegen de achterwand van de andere helft, op zo'n 35 meter van de eerste rij zitten Fischer en Spasski.

De eerste partij waarin Fischer met prachtige slotakkoorden het punt naar zich toe trok moet een sensationele ervaring zijn geweest. Nu zat ik te kijken hoe hij met onbezonnen aanvalsdrift zich zelf van het bord speelde. Het gigantische bord achter de spelers met de tekst The World Chess Championship leek meer dan ooit de tekstballon van een weinig geslaagde cartoon. Maar zo moet je natuurlijk helemaal niet denken wanneer je het voorrecht hebt om doorgedrongen te zijn tot de Howard Hughes van het schaken. Een voorrecht dat bij iemand als Fischer alleen maar tot stand kan komen door geluk en een samenloop van omstandigheden.

Mijn geluk begon op het moment dat op de redactie van New in Chess in Alkmaar een fax binnen kwam waarin gevraagd werd of we mr. Robert Fischer een diskette konden leveren met alle partijen die Boris Spasski ooit gespeeld had. Het verzoek alleen al zou ieder schakershart sneller hebben doen kloppen. Tot ieders stomme verbazing was de fax ondertekend door Bobby Fischer zelf. Een besluit was snel genomen. Zou het niet fantastisch zijn als Fischer een databank zou willen opbouwen met behulp van ons NICBASE-programma? En, zou het vanuit journalistiek oogpunt geen ideale binnenkomer zijn om hem de gevraagde artikelen persoonlijk te gaan brengen? Het enige risico was dat de lange reis door het verscheurde Joegoslavie zou eindigen voor de borstkast van een van Fischers vele bodyguards.

Om deze mogelijkheid te omzeilen zocht ik na een reis van 26 uur geen directe toenaderig tot Fischer (wat trouwens ook onmogelijk zou zijn geweest), maar schreef hem een brief die ik overhandigde aan Torre met het verzoek die na de partij aan Ficher te geven. 's Avonds in bed lag ik net te denken dat ik misschien wel mijn leven lang spijt zou hebben van mijn woordkeus in deze brief toen de telefoon ging. Het was Gligoric die me vanuit de lobby meedeelde dat meneer Fischer erg verguld was met mijn brief en me graag wilde ontvangen. Terwijl mijn adrenaline alle kanten op spoot hoorde ik Gligoric nog zeggen dat hij zich excuseerde voor de late storing. Daarna verliep alles zoals dat hoort in dit soort films. Slagbomen werden gedienstig geopend en wachtposten knikten nederig terwijl de privechauffeur van Gligoric de zwarte limousine in hoog tempo over het kronkelweggetje stuurde op weg naar het zwaar beveiligde Sveti Stefan.

Nadat Fischer gerustgesteld is over de nummering van de print, lijkt het moment daar om middels verdere presentjes een gesprek op gang te brengen. Ik geef hem een stapel New in Chess-magazines en vraag of hij het blad kent. “Oh yeah, sure”, zegt hij met een tevreden twinkeling in zijn ogen. Hij vindt het een goed blad maar helaas is het te pro-Sovjet.

“Te pro-Sovjet?”

“Oh ja absoluut. Hoewel er stond een keer een stuk in dat me wel beviel. Waarin Kasparov Karpov beschuldigde van het kopen van partijen.” Sneller dan ik verwachtte zijn we aangeland bij een van de twee onderwerpen die Fischer sinds hij hier is neergestreken permanent aansnijdt. De wereld is een grote joodse samenzwering en de Russen doen niets anders dan voorgekookte partijen spelen. Alsof hij me oprecht wil waarschuwen voor een groot onbekend kwaad barst hij op luide toon los. “Je kunt je niet voorstellen wat voor misdadigers die Sovjets zijn. Allemaal, zonder uitzondering. Alle matches tussen Kasparov en Karpov zijn zet voor zet vantevoren afgesproken. Ik zal er een boek over schrijven en bewijzen dat alle partijen zet voor zet afgesproken werk waren. Ook de blunders, waarmee zij alleen het beel wilden ophouden dat er echt gespeeld werd. Adorjan heeft in een boek geschreven dat hij een partij speelde met Kasparov die zij helemaal afgesproken hadden.”

Ik heb geen zin om op de schrijfsels in te gaan van Adorjan, een Hongaarse grootmeester die ooit met Kasparov samenwerkte, maar de laatste jaren slechts de aandacht trekt door onsportief gedrag en paranoia. In plaats daarvan spreek ik mijn verwondering uit dat Fischer ook Kortsjnoi beschuldigt die tijdens zijn matches tegen Karpov juist in een felle strijd tegen de Sovjets gewikkeld was. Het heeft weinig zin. “Alle Sovjets zijn ongelooflijke bedriegers. Allemaal belazeren ze de kluit. Ook Kortsjnoi. Zelfs Boris.”

Om wat lichter van toon te worden suggereer ik dat hij deze verdenking vast ook aan Spasski zelf gemeld heeft en dat die dat ongetwijfeld leuk vond. Maar het is nog steeds geen moment voor grapjes. Dan maar een concessie. Ik betrek Torre bij het gesprek en vertel over een toernooi in Brussel waaraan Torre ook mee deed. Kasparov won daar een crusiale partij van Tal en later gaf Tal met zoveel woorden toe dat hij deze partij opzettelijk verloren had. Torre bevestigt dit verhaal meteen en Fischer kan zijn geluk niet op. Van mij naar Torre draaiend en weer terug roept hij triomfantelijk uit: “Hij gaf toe dat het afgesproken werk was? Hij gaf het toe? Zie je wel allemaal doorgestoken kaart.”

Maar is het niet moeilijk, zo niet onmogelijk om aan te tonen dat een partij afgesproken werk is, tenzij een van de spelers het toegeeft? “Oh nee, dat is alleen maar roddel, die je niet nodig hebt. In mijn boek zal ik op wetenschappelijke wijze zet voor zet aan geven hoe Kasparov en karpov te werk gingen. Het heeft me anderhalf jaar gekost voordat ik door had hoe zij het deden. Anderhalf jaar. Op een dat was ik een partij aan het door spelen en opeens gingen mijn ogen open. Nee nee, ik wil geen voorbeeld geven. Ik ga je geen interview geven.” Ondertussen staat Gligoric een beetje ongedurig bij de deur. Hij is moe en wil graag weg, maakt tegelijkertijd voel ik zijn aarzeling om het gesprek te onderbreken. Dan bedenkt Fischer zich ineens en zegt: “Oke, ik zal je een voorbeeld geven.” Met driftige gebaren begint hij een partij op het bord te smijten. Een partij uit de eerste Karpov-Kasparov-match. Na zo'n zet of twintig kijkt hij me aan en alsof hij me werkelijk alles moet uitleggen vervolgt hij: “Deze stelling bereikte Kasparov toen hij met 4-0 achter stond. Het toeval wilde dat deze stelling al lang bekend was uit een Joegoslavische partij waarin wit voordeel kreeg met Tb1. Met nog meer stemverheffing en klemtonen op alle lettergrepen vervolgt hij: “Kasparov dacht veertig minuten na, speelde het slappe c4 en bood remise aan.” Met verachting schuift Fischer de pion naar c4 en vraagt zich af: “Als dat geen bewijs is?”

“En dan”, gaat hij voortvarend verder “kan ik je nog een ander voorbeeld geven.” Driftig beent hij de kamer uit en komt terug met een boek waarin aangegeven wordt hoe Karpov en Kasparov een stelling bereikten die in gespiegelde vorm al eens eerder was voorgekomen en een verrassende pointe bevatte. Fischer heeft er geen woorden voor. “de kans dat je diezelfde stelling zo krijgt is ongeveer nul komma nul, maar door heel slecht te spelen slagen ze er toch in. Karpov moest zelfs het belachelijke Th5 spelen om h6 uit te lokken. Daarom deed hij dat nog snel voor het afbreken, omdat het anders teveel zou zijn opgevallen.”

Dan is er eindelijk een moment van ontspanning. Om iets te zeggen, merk ik op dat de geruchten over afgesproken partijen tussen Karpov en Kasparov pas in New York de kop opstaken terwijl hij ervan overtuigd is dat het al veel eerder begonnen is. Gligoric complimenteert me licht spottend: “Je hebt het wel snel door.” Ik schiet in de lach en daardoor moet Fischer ook lachen. Maar de lol is er weer snel af. Onverdroten gaat hij verder. “Timman doet er ook aan mee. Hij heeft ook partijen weg gegeven tegen de Sovjets.” Mijn tegenwerpingen worden genegeerd en hij specifieert: “In de match Sovjet-Unie tegen de Rest van de wereld verloor hij opzettelijk van Kasparov.” Even wil ik nog iets zeggen, maar dan moet ik denken aan een opmerking die Timman voor mijn vertrek maakte over de kans dat ik tot Fischer zou doordringen. “Je moet maar hopen dat hij je naam niet te joods vindt.”

Gligoric heeft het nu toch ook echt gezien en het moment van vertrek is daar. Fischer komt overeind en nu pas vallen mijn ogen op de klompachtige zwarte rubberen veterloze schoenen die hij aan heeft. Gecombineerd met zijn horkerige manier van lopen en zijn grote gestalte, versterken zij het beeld van een soort Monster van Frankenstein. Een sterk in zich zelf gekeerd, op zich onschuldig iemand, die door een monomane fixatie kwaad om zich hen kan slaan. Maar die anderzijds ook van het ene op het andere moment vertederend aardig kan zijn. Zoals nu bij het weg gaan. Enigszins voorover hangend staat hij voor me en begint ineens uiterst vriendelijk allerlei vragen te stellen. Hoe sterk ik schaak, of ik alleen schaakjournalist ben, en tot wanneer ik blijf.

Glimlachend hoort hij het allemaal aan en dan zegt hij: “Het probleem met het schaken is dat het tegenwoordig allemaal bedrog is. We zouden de regels moeten veranderen, zodat ze zich niet zo ver meer kunnen voorbereiden. Bijvoorbeeld door voor de partij de computer de beginpositie van de stukken te laten bepalen.” Zou dat niet spijtig zijn voor het schaakerfgoed? Fischer zegt niks, maar produceert een wrange glimlach die het midden houdt tussen “hoezo?” en “ach ja, we zien wel”. Voor de laatste keer druk ik zijn hand en loop met een mooi sentimenteel gevoel samen met Gligoric de slingerende trappen van Sveti Stefan af. Bij de limousine excuseert Gligoric zich nogmaals dat hij mijn nachtrust verstoord heeft.