De koningin

In Amsterdam gebeurde iets tussen twee mannen. Het had niets met seks of geweld te maken, toch was het pijnlijk. Enigszins in verlegenheid stond de koningin in de schaduw van een pilaar. Het was nacht.

Ik bood aan met haar mee naar huis te lopen. Ik nam een katoenen tas van haar over en merkte hoe zwaar die was. Boeken? We gaven elkaar een hand.

“De koningin”, zei de koningin.

“Koos van Zomeren”, zei ik.

Ze begon over een verhaal dat ik had geschreven over de Wadden; ze bedoelde het verhaal uit "Atlas'.

Ik vroeg of ze mijn stukjes in de krant niet las, maar ze bleek van geen stukjes te weten. De krant werd voor haar uitgeknipt, alleen het noodzakelijke kreeg ze voorgelegd.

We liepen in een straat waarvan verder geen dreiging uitging. Ik legde mijn arm om haar middel, zij deed hetzelfde bij mij. Daarna legde ik mijn arm over haar schouder, maar dat liep nogal ongemakkelijk.

“Dat geeft niet”, zei de koningin.

“U bent te groot voor mij”, zei ik en dat was zo, ze was wel een kop groter dan ik.

Bij dat gedoe met die armen keek ik ons op de rug. Toen liep ik naast en tevens achter haar.

    • Koos van Zomeren