Corruptie bij de overheid

Te oordelen naar de uitkomsten van een onderzoek van bestuurskundigen van de Vrije Universiteit in Amsterdam zijn corruptie en fraude de laatste jaren stilaan in de burelen van de overheid binnengeslopen. De coördinator van het onderzoek, L. Huberts becijfert de hoeveelheid kwaad in het begeleidende boek op één geval per dag, dat wil zeggen: van de hoeveelheid aan het licht gekomen corruptie en fraude.

Huberts c.s. baseren hun conclusie over de frequentie van het verschijnsel onder meer op een enquête die zij onder gemeentesecretarissen hebben gehouden. Dat lijkt mij een kleine zwakte van het onderzoek: het is afhankelijk geweest van de medewerking van ambtelijke inlichtingenbronnen, ofwel van officiële informanten die niet staan te popelen om op het eerste het beste enquêteformulier de waarheid en niets dan de waarheid in te vullen.

Ik twijfel niet aan de goede trouw van gemeentesecretarissen, maar ze zijn bij een dergelijk onderzoek partij onder verdenking. Ze hebben niet hetzelfde belang bij openbaarheid als onderzoekers, want ze moeten ook hun fort verdedigen en hun eer bewaken, nog daargelaten dat ze niet alles weten en slechts over de geregistreerde gevallen zullen spreken - met andere woorden, de top van de ijsberg.

Met hun analyse van een aantal bekende gevallen van computercriminaliteit boren de VU-onderzoekers het vermoeden aan dat er nog een grote hoeveelheid onderzoeksmateriaal onder de waterlijn verborgen zit. De concrete aanwijzingen daarvoor zijn schaars, maar men weet hoe het zat met de helmenaffaire in de jaren zestig. Die sleepte een omvangrijke fraude in het departement van defensie met zich mee, hoewel men kort voor de sluiting van het onderzoek nog aannam dat het allemaal draaide om één ambtenaar die van omkoopbaarheid werd verdacht en het leger met ondeugdelijke helmen had opgescheept.

De bijzondere Kamercommissie die de routes van de helmenleveranciers natrok, ontdekte een keten van medeplichtigen. Toen zij beet had en zo fortuinlijk was een ogenschijnlijk onbetekenende verdachte in handen te krijgen die doorsloeg, kwam er een heel netwerk van handlangers boven water. Zo gaat het in veel gevallen: wie fraudeert of zich laat omkopen zoekt veelal een maat in het kwaad, niet uit solidariteit, maar terwille van de gewetensrust. Ook aan zichzelf aanbiedende medeplichtigen is zelden gebrek, want succesvolle fraude werkt aanstekelijk.

Wie er lucht van krijgt dat een collega enkele miljoenen uit de overheidskas op zijn eigen bankrekening laat bijschrijven (het geval van de Rotterdamse ambtenaar die voor eigen rekening bankierde met de sociale uitkeringen), kan twee dingen doen: aan de bel trekken en het misdrijf melden of op de treeplank springen en meeprofiteren. De commissie-Mulder, die in de jaren zestig de minister van justitie adviseerde over strakkere beteugeling van niet-ambtelijke corruptie, schatte de kans op het laatste tamelijk hoog. Ze maakte zich toen al zorgen om het sneeuwbal-effect van medeweten: wanneer de één van de ander weet dat hij "plat' is, komt de één in de verleiding het ook te worden. Het voorbeeld van een voor gunsten gevoelige ambtenaar maakt collega's sneller bereid op een aanbod van steekpenningen in te gaan. Deze bereidheid lokt weer nieuwe corruptie uit, aldus de commissie-Mulder.

Voor de wetenschappelijke onderzoekers die er hun beroep van maken het doen en laten van de overheid te bestuderen ligt er zo te zien nog een wereld van mogelijkheden braak. De VU-onderzoekers lijken zich daar nogal over te verbazen. Ze stellen vast dat er nog zo weinig informatie over dit "intrigerende onderwerp' bekend is en presenteren hun boek daarom als een voorziening om "die leemte op te vullen', daarmee suggererend dat het onderwerp spiksplinternieuw is. Een kleine precisering zou hier op haar plaats zijn geweest. Corruptie en fraude zijn, getuige de povere wetenschappelijke literatuur die zij tot nu toe hebben opgeleverd, een nieuw onderwerp voor de Nederlandse bestuurswetenschap en de politicologie, maar niet voor de bedrijvers van het kwaad, de traditionele handophouders en de elektronisch geverseerde overschrijvers en tillers.

Ambtelijke corruptie is een door en door Nederlandse specialiteit. Ze is zelfs ouder dan de organisatie van de Nederlandse eenheidsstaat. De Hoogmogende Heren uit de Staten van Holland en Zeeland (de eersten veel meer dan de laatsten) waren al in heel Europa vermaard om hun corruptie. De grote reputaties onder die Heren beoefenden de corruptie als een kunstvorm, waarin zelfs de onkreukbare Van Oldenbarnevelt zich niet onbetuigd liet. Onder de regenten in de Republiek had de corruptie zo om zich heen gegrepen dat de raadpensionaris De Witt werd uitgeroepen tot de enige die in dit opzicht vrij van zonden was, terwijl die er toch een tamelijk gevaarlijke manier van geld beheren op na hield (hij bewaarde staatsgeld en zijn eigen spaargeld in dezelfde kous).

Er zijn genoeg recente voorbeelden om te illustreren dat de corruptie helemaal geen nieuw verschijnsel is, maar in de jaren zestig in Nederland al diep geworteld en wijd vertakt was. Als de bestuurswetenschap dat nu pas ontdekt, heeft zij al die jaren de mooiste kansen laten lopen om alle ijsbergen te tellen. Bij de behandeling van het ontwerp van wet tot strafbaarstelling van niet-ambtelijke omkoping op 6 juni 1967 merkte de socialiste Hannie Singer-Dekker in de Tweede Kamer op dat de vertrouwelijke stukken die de Kamercommissie voor justitie had ingezien, haar ervan hadden overtuigd “hoeveel ernstiger het verschijnsel van omkoping in Nederland is dan velen voor mogelijk hebben gehouden” om daar wat verbijsterd aan toe voegen: “Niemand (in de commissie) twijfelt eraan, dat het gaat om een zeer groot kwaad, dat bezig is ver om zich heen te grijpen”.

De Rotterdamse fraude-officier Den Doelder (één van de door Huberts c.s. niet-geraadpleegde bronnen, die over meer inzichten in de materie beschikken dan de ondervraagde gemeentesecretarissen) zei tijdens de behandeling van een strafzaak in 1982 geen aanwijzingen te hebben dat de in '67 door Singer-Dekker getypeerde situatie in '82 minder ernstig zou zijn. Integendeel, de dossiers die zich de afgelopen tien jaar bij de fraude-officieren hebben opgehoopt, zijn intussen tot bergen uitgegroeid, die vele jaren werkachterstand vertegenwoordigen.

De samenleving is gediend met het wetenschappelijk onderzoek dat de bestuurskundigen van de Vrije Universiteit hebben gedaan. Maar belangrijker is het vervolg. Wetenschappelijk onderzoek heeft parlementaire ondersteuning nodig om resultaat te krijgen. De Tweede Kamer zou dit onderzoek al een nuttige dienst kunnen bewijzen door de regering te vragen alle interne regelingen en voorzieningen ter bestrijding van corruptie (inclusief schriftelijke waarschuwingen) die op de ministeries bestaan, te publiceren. Pas dan kan men zich een inzicht vormen in de waakzaamheid van de overheid om haar integriteit te beschermen. L. Huberts (red.) Bestuurlijke corruptie en fraude in Nederland, Arnhem, 1992.