Campagne zaait twijfel over lot van Frans-Duitse koppel

Voor- en tegenstanders van het Verdrag van Maastricht gebruiken in de campagne voor het Franse referendum van 20 september de "Duitse dreiging' als argument. Het verenigde Duitsland zou met- respectievelijk zonder Europese Unie te machtig worden. CDU-buitenlandspecialist Karl Lamers reageert heel kalmpjes: “Onze Franse vrienden hebben ons vooraf ingelicht dat zij met dit thema zouden gaan werken.” Hij betoogt dat jongere generaties beter moeten worden gewezen op de taak die de Europese Gemeenschap heeft.

PARIJS, 11 SEPT. “Frankrijk heeft niet de middelen om het gedrag van Europa te bepalen. Europa, dat is een gecombineerde zaak van Fransen en Duitsers samen.” Deze uitspraak dateert van 1966 en is afkomstig van president Charles de Gaulle. Alle Franse presidenten na hem hebben naar dat inzicht gehandeld. In het Franse debat over de ratificatie van het Verdrag van Maastricht is de verhouding tot Duitsland weer volop aan de orde gekomen. En ondanks dertig jaar Frans-Duitse vriendschap zijn oude sentimenten en zelfs wantrouwen opgedoken.

Het huidige Duitsland is natuurlijk een ander dan dat van Konrad Adenauer, de Bondskanselier die samen met De Gaulle de Frans-Duitse verzoening bezegelde. Na de val van de Berlijnse muur heeft het herenigde Duitsland zijn volledige soevereiniteit teruggewonnen. En de economische supermacht-in-wording is zo groot dat Frankrijk er een beetje klein bij is geworden. Het nationale debat over het Verdrag van Maastricht heeft aangetoond dat veel Fransen daar nog niet aan gewend zijn en dat sommigen, vooral de oudere generatie gaullisten, er waarschijnlijk niet meer aan kunnen wennen. De toekomst van het "Frans-Duitse koppel' dat tientallen jaren lang de motor van de Europese eenwording in de EG was, lijkt plotseling een beetje onzeker.

De Duitse Bondsrepubliek was voor 1989 al een economische reus, maar die liep politiek op lemen voeten, en bijna altijd in de pas achter Parijs aan. Eind vorig jaar jaar bleek opeens dat Duitsland voorop liep - bij de erkenning van Slovenië en Kroatië, twee republieken die uit de chaos van ex-Joegoslavië waren ontstaan. Tegenstanders van de Europese politieke unie zoals de links-socialistische oud-minister Jean-Pierre Chevènement, voeren deze Duitse "Alleingang' aan als argument tegen "Maastricht'. Zij voorspellen dat Frankrijk alleen komt te staan in of tegenover een Duitse "invloedssfeer' die behalve Duitsland ook Oostenrijk en in de toekomst Zwitserland en de Benelux omvat, nog afgezien van centraal-Europa.

Voor oud-generaal Pierre Gallois, die wel de "vader van de Franse atoombom' wordt genoemd, betekent "Maastricht' dan ook een “abdicatie” van Frankrijk. Hij verwijt de voorstanders van de politieke unie dat ze “naïef” zijn als ze geloven dat “een verdrag, een stuk papier” de bijna 90 miljoen inwoners van Duitsland zal beteugelen “als deze door hun oude demonen worden gegrepen”. Deze "oude demonen' doken onlangs ook op in een pleidooi voor ratificatie van Maastricht door de socialistische oud-premier en presidentskandidaat Michel Rocard, die daarbij de rellen in Rostock voor ogen had. Evenals vele andere voorstanders van "Maastricht' wekte Rocard de indruk dat de politieke unie - mede gezien haar regels over de besluitvorming - een keurslijf vormt om Duitsland in toom te houden.

Deze enigszins pijnlijke discussie, die Bonn niet is ontgaan, levert uiteraard geen duidelijke conclusies op. De voorstanders kunnen niet bewijzen dat het met "Maastricht' beter gaat met Europa en Frankrijk, en de tegenstanders zijn niet overtuigend met hun argument dat Frankrijk beter onafhankelijk en zichzelf kan blijven in plaats van, zoals Gallois schreef, “definitief de Historie te verlaten”.

Maar de vrees voor Duitsland bleek nog meer in het debat over de monetaire unie, die tenslotte wel iets meer is dan "een stukje papier'. De monetaire unie vormt de kern van het Verdrag van Maastricht: ze voorziet in de creatie van een gemeenschappelijke munt, waarin de Duitse Mark en de Franse franc en alle andere deelnemende munten opgaan.

De gaullisten en meeste andere nationalisten die strijden tegen de “annulering van Frankrijk” (oud-premier Michel Debré in Le Figaro ) laten de monetaire samenwerking meestal gemakshalve terzijde. Voor Philippe Séguin, een van de leiders van de "nee'-campagne, is de franc natuurlijk wel een symbool van de nationale soevereiniteit dat van de ondergang gered moet worden. Hoe dat moet, is wel duidelijk (stem tegen), maar over de gevolgen blijft Séguin in het ongewisse. "Splendid islolation' is op zich al mooi genoeg, zo lijkt het. Want dan kan Frankrijk een “eigen economisch beleid” voeren, zo zeggen zowel de rechtse als linkse tegenstanders (Chevènement) van "Maastricht'.

De voorstanders van ratificatie wijzen vooral op de betekenis van de monetaire unie voor de toekomstige verhouding tot Duitsland. Maar hun argumentatie is al even onthullend voor de vrees die het grote Duitsland inboezemt. De monetaire unie wordt steevast voorgesteld als de beste manier om de Duitse macht te temmen. En dat geldt in het bijzonder die van de Bundesbank, die de rente in heel Europa en dus ook in Frankrijk opdrijft. "Maastricht' is voor hen de eerste en waarschijnlijk ook laatste kans om de Bundesbank in naam van een groter belang te onderwerpen aan een discipline die Europees en niet langer alleen Duits is.

De gezaghebbende commentator Maurice Duverger schreef onlangs in Le Monde: “Als de Fransen de dwaasheid begaan om de ratificatie te weigeren, dan zal geen enkele Duitse regering nog in staat zijn om het engagement, dat verworpen werd, nog te herstellen. Tegen het jaar 2000 zal de mark dan geslaagd zijn in datgene wat de Wehrmacht niet heeft kunnen doen: een pan-germanistisch Europa gedomineerd door een Bundesbank waarvan men, tijdens het wisselen van het geld met de (voormalige) DDR, heeft gezien dat ze onderworpen is aan de autoriteiten in Bonn. Hoe mooi zal onze nationale soevereiniteit zijn als ze gebaseerd is op onze franc!”

De franc die in die situatie immers “niet meer dan schaduw” zal zijn, blijft volgens Duverger veel sterker in het kader van de Europese munt omdat “bijna 20 procent van de macht om besluiten te nemen aan onze vertegenwoordigers toevalt, tegen de bijna 30 procent waarover de Bundesbank zal beschikken.” (de stemrechten in het bestuur van de toekomstige Europese centrale bank worden voor de helft berekend op basis van het aantal inwoners van de EG-landen en voor de andere helft op basis van het bruto nationaal produkt.)

De Franse politici die voor "Maastricht' zijn, onder wie de leiders van alle grote democratische partijen, zijn wat voorzichtiger in hun uitlatingen. President Mitterrand en Rocard hebben er herhaaldelijk op gewezen dat - in de woorden van Rocard - het “verdwijnen van de mark het mooiste cadeau is dat Duitsland Europa kon geven”. Maar zelfs oud-president Giscard d 'Estaing, die zich verstandelijk en koel opstelt in de Maastricht-discussie, wijst er graag op dat Frankrijk en Duitsland in het bestuur van de Europese centrale bank elk twee vertegenwoordigers hebben. De implicatie is duidelijk: met Frankrijk mee aan het roer komt er geen monetair "pan-germanisme'.

De ecu, het symbool van de nieuwe macht van Europa, berust volgens Giscard in een interview met het dagblad Liberation “op de Duitse economische macht en het Franse, Britse en Italiaanse savoir-vivre (...). De ecu is geroepen om de meest stabiele munt ter wereld te worden”, aldus de Franse oud-president. Maar ook deze verdeling van de bijdrage van de lidstaten aan de macht van het Europa van "Maastricht' maakt duidelijk dat voor Duitsland vooralsnog een relatief bescheiden rol is weggelegd: die van economische macht, die kennelijk savoir-vivre mist, om van demonen maar niet te spreken.

Het "Maastricht'-debat heeft de Franse zenuwen over Duitsland weer eens blootgelegd. “Waarom praat u zichzelf een minderwaardigheidscomplex aan”, hield bondskanselier Kohl vorige week een vragensteller in een tv-uitzending geruststellend voor. Het antwoord moet misschien luiden: we praten het ons niet aan, het bestaat al.