Vrijdag 11; Reprise

Te laat, nu zal ik Vastgoed B.V. nooit meer zien. Nog één week stond de succesvoorstelling van Toneelgroep Amsterdam laatst in de Stadsschouwburg in de eigen stad.

Het was elke avond vol. Alle betrokkenen denken dat ze er met gemak een maand van hadden kunnen maken, in plaats van die ene week. Maar in het Nederlandse programmeringssysteem is zo'n verlenging van de speelperiode op één vaste plek niet mogelijk - het ensemble had andere verplichtingen en de Stadsschouwburg moest weer ruimte maken voor de volgende produktie in het schema. Dat was niet alleen sneu voor mij, maar ook voor het Nederlandse toneel.

Het gaat niet goed met het Nederlandse toneel, luidt het vooroordeel. Er moeten meer bezoekers komen, luidt de opdracht van de minister. Zoek de oplossing in marketing-technieken en professionele publiekswerving, luidt het advies van sommige omstanders. Maar we doen al zo veel op dat gebied, luidt de reactie van de toneelgezelschappen.

Een heilloze discussie, kortom, terwijl er een heel andere en veel logischer manier is om de bezoekersaantallen (en daarmee tegelijk de reputatie van de toneelsector) te vergroten. Een gezelschap dat zelden gedurende een langere, aaneengesloten speelperiode in één theater te vinden is, krijgt nooit de kans daar te wortelen. Alleen de kleine groep van intens belangstellenden neemt de moeite zich een weg te banen door de schouwburgschema's met hun onregelmatige programmering. Als het tot de rest begint door te dringen dat er iets moois is gemaakt, is die voorstelling allang weer weg - op tournee waarschijnlijk. En als er al ruimte is voor een reprise, vindt die pas vele maanden later mondjesmaat plaats. Een weekje misschien, dat lukt soms net nog.

Vastgoed B.V. is geen uitzonderlijk voorbeeld. Peter de Baan, artistiek leider van het RO-theater, wijst op zijn Tartuffe van het vorige seizoen. Toen die voorstelling al op het punt stond Rotterdam te verlaten, waren er wachtlijsten. Een reprise was echter niet meer mogelijk. In totaal kan het RO-theater jaarlijks niet meer dan 65 voorstellingen in de eigen standplaats spelen, zegt De Baan. Dat komt neer op maximaal 15 avonden per produktie. De subsidie-voorwaarden schrijven voor dat alle andere speelbeurten “in het land” plaatsvinden. Een avondje Meppel, een avondje Eindhoven, drie avondjes Amsterdam. De Baan noemt dat “pure kapitaalsvernietiging”: in al die andere steden zijn de bezoeken van het RO te vluchtig om werkelijk indruk te maken, terwijl Rotterdam haar eigen gezelschap veel te weinig ziet.

Geen wonder dat het RO-theater vaker in de Rotterdamse Schouwburg wil staan en Toneelgroep Amsterdam naar een eigen theater hunkert. Al die verplaatsingen, al die dagen dat er moet worden opgebouwd en weer afgebroken, al die verbrokkelde speelschema's en al die keren dat een voorstelling voortijdig van het repertoire verdwijnt, brengen het Nederlandse toneel niets dan schade toe. Het publiek, waarnaar nu zo koortsachtig moet worden gezocht, is er allang. Het krijgt alleen nauwelijks de kans te komen kijken.