Verval en platanen

Een klank als een klok: Odessa. Voor je geestesoog doemen halfoosterse haventaferelen op, groeit er een weelderige, exotische mediterrane flora en vindt er om de dag een Babeliaans pogrom plaats. Niets van dit alles?

Voor een paar gulden mag je in een slaapwagon van de Sovjetspoorwegen de 1500 kilometer van Moskou naar Odessa overbruggen. De conductrice lijkt eerst een dragonder, maar is dan plotseling bereid haar eigen coupé aan je af te staan. Dat is dan tien dollar. Vijfentwintig uur na vertrek en stipt op tijd rolt "De witte acacia', grauw, goor en gammel, het hoofdstation van Odessa binnen.

Moeite om onderdak te vinden hoef je niet te doen. Wegens de onzekere toestand in de andere republieken en vooral dankzij de burgeroorlog in het nabijgelegen Moldavië mijden de Russische toeristen deze hoek. Op het perron al worden de passagiers opgewacht en aangeklampt door veelal oudere vrouwen, die voor een grijpstuiver een appartementje - altijd op loopafstand van de zee - aanbieden. De lyrische aanbeveling van het logies en de vermelding van faciliteiten als douche en toilet zijn met een korrel zout te nemen. Reken maar op camping à la ferme: kraaiende hanen, weinig tot geen water en een in ammoniaknevelen gehuld pleegat. Loop liever geen voedselvergiftiging op.

Hoe smaakt Odessa na meer dan zeventig jaar? Even wrang als elke grotere Russische stad (Russisch, want hier wonen voornamelijk Russen, die niets begrijpen van een ongebonden Oekraïne en die het monopoly-geld van de Oekraïnse bank, coupons genaamd, met lede ogen bekijken en duizend maal liever ouderwets roebels vangen). Verval en wanbeheer gaan hand in hand, zodat in de prachtige Poesjkinstraat en in de Deribasova - de Arbat of Nevski-prospect van Odessa - tussen de fraaie, zij het slecht onderhouden koopmanshuizen als in een slecht gebit gaten vallen die worden gestopt met afzichtelijke Sovjet-betonvullingen. Vergeefs zul je zoeken naar het bonte straatbeeld dat Babel in zijn verhalen vereeuwigd heeft.

Wel is er natuurlijk de lommerrijke boulevard boven de havenwerken, waar je in de zomer wordt vergast op de overzoete geur van bloeiende linden en op het schouwspel van flanerende meisjesparen, die onverstolen gulzige blikken werpen op elke man die voldoende bij kas lijkt om een heerlijk avondje te fourneren.

En inderdaad, om je culturele niveau te staven, stuit je halverwege ook nog eens op die saaie Potjomkintrap. De hele stad wemelt overigens van het groen en geurt naar bloemen, alsof een grote tuin per vergissing is volgeplant met verkeersaders en woningen - Odessa hangt van de platanen aan elkaar. In alles spreekt bovendien het zuidelijke gebrek aan haast dat in Moskou als storend en in Petersburg als onoirbaar zou worden ervaren.

Inmiddels is Odessa de vluchthaven voor Armeniërs, Zuid-Osseten en Russische Moldaviërs geworden. Bij de tramhalte stort een vrouw die uit Tiraspol is gevlucht haar hart uit. Lijken, overal lijken op straat. Sluipschutters maken het verlaten van je huis tot een levensgevaarlijke onderneming. Op een Russische school - haar leeggehuilde ogen kijken strak en wild voor zich uit - hebben die Roemenen de jongens van de meisjes gescheiden. De meisjes zijn verkracht, een aantal jongens hebben ze de keel afgesneden. Drie vrijwilligers aan Russische zijde hebben ze eerst de tong uitgetrokken en daarna met stroomstoten langzaam doodgemarteld.

Zes van jullie kozakken, zegt ze tegen ons, hebben met heldenmoed twee bruggen over de Dnjestr verdedigd. Twee dagen lang. Uiteindelijk hebben ze zich doodgevochten. Zelf is ze met honderden anderen in een open grindwagon in het holst van de nacht naar Odessa gevlucht. Waarom wil er niemand luisteren, vraagt ze wanhopig, waarom doen ze niets?

Elke dag voert de tram ons langs een boom die omwikkeld is met een wit lint, waarop in onregelmatige letters staat geschreven: “Laten we treuren om de gevallenen in Trans-Dnjestrië.” Schurend schommelt de tram er aan voorbij in zijn rails. Een enkeling werpt een onverschillige blik op het lint, waarin een dunne krans van bloemen is gestoken. Men zwijgt. Het gezichtsveld van de meesten reikt niet verder dan Odessa en meer dan de nabije oorlog pijnigt hen de vraag of ze er vanochtend in zullen slagen ergens brood op de kop te tikken.