Varkensliedje (6)

Verweesd zat daar 't Wrattenzwijn;

Niemand wilde bij hem zijn.

De zon ging onder; 't avondlicht

Viel op Wrattenzwijns gezicht.

Mijn leven ging voorbij, zo vlug,

Ach, had ik maar mijn jeugd terug!

Er is voor mij niets meer te hopen,

Ik ga nu maar mijn ziel verkopen.

Het Wrattenzwijn ging buiten staan

En bood zijn ziel als koopwaar aan.

Hij riep: wie wil die ziel van mij!

Maar iedereen liep hem voorbij.

Toen, na een poosje, zag hij pas

Een vreemde in een lange jas,

Die even met hem op bleef lopen,

En zei: Wou jij je ziel verkopen?

Kom Wrattenzwijn, toe ga nou gauw,

Die ziel van jou, wie wil die nou?

De vreemde keek hem even aan

En liet hem in de regen staan.

Het Wrattenzwijn stond in de regen

En dacht: mij loopt ook alles tegen.

Wat kan ik doen om te vergeten?

Ik ga nog maar een hapje eten.