Prozadebuut van Paul Claes; Vader moet tot zoon verschrompelen

Paul Claes: Het laatste boek. Uitg. De Bezige Bij, 135 blz. Prijs: ƒ 28,-.

Het zal wel een thema van alle tijden zijn: het verlangen om het ene boek te schrijven dat alle andere boeken overbodig maakt. Het is een mooi ideaal waarvan in de praktijk weinig terecht zal komen, alleen al om de eenvoudige reden dat de schrijver er zichzelf meteen ook mee overbodig zou maken. Dat uitgerekend Paul Claes zijn prozadebuut Het laatste boek noemde, mag dan ook gerust met een korreltje zout genomen worden. In zijn essays geeft hij er immers steeds blijk van hoezeer hij literatuur ziet als ”de kunst van de allusie'. Elke dichter of prozaïst maakt volgens hem meer of minder opvallend gebruik van wat al eerder geschreven is. ”In den beginne was het woord', zo luidde de eerste zin van zijn essaybundel Echo's echo's (1988), onmiddellijk gevolgd door de nuchtere constatering: ”En toen kwam de herhaling'. Vandaar dat hij het daarin over zulke uiteenlopende figuren kon hebben als Plato en Erica Jong, Hegel en Joyce & Co, Proust en Bomans, Borges en Kees Stip.

Wat valt er te verwachten van een auteur die zich zo bewust is van zijn onoorspronkelijkheid? Weinig conventioneels in elk geval. De vijf ”verhalen' in Het laatste boek laten zich nog het best karakteriseren als bewerkingen, van overgeleverd literair gedachtengoed. Claes werkt volop met spiegels, echo's, schaduwen en herhalingen en goochelt graag met tijd, ruimte en symbolen. Het zijn de verhalen van een exegeet met studieverlof die nu eens voor zijn eigen en trouwens ook voor ons plezier aan het associëren is geslagen. Intertekstuele spelletjes zijn het, met de nadruk op spelletjes, want zwaar op de hand of opdringerig erudiet is deze bundel niet.

Het eerste verhaal over een eenzelvig jongetje dat per trein bij opa en oma op bezoek gaat, doet nog tamelijk gewoon aan, als men tenminste over de openingsregel heenleest: ”Toen de trein in de tunnel drong, deed ik de ogen dicht'. Maar al gauw valt op hoe belangrijk moeder en grootmoeder zijn en dat er niet meer dan schaduwrolletjes zijn weggelegd voor vader en grootvader. Aan het eind van het verhaal maakt hij zich, door op het coupé-raam te gaan schrijven, helemaal meester van de situatie, in de geest althans. Hij neemt de plaats in van zijn vader, die dan vanzelf tot zoon verschrompelt.

Wie van Freud houdt kan zijn hart ophalen in Het laatste boek, want er treden wel meer jongetjes in op die zich graag van vader zouden ontdoen om moeder voor zichzelf op te eisen. Men moet zich deze pogingen tot vadermoord vooral literair voorstellen. Maar zeker niet steriel of duf, want Claes heeft een fijne neus voor komische situaties. In het verhaal ”De dichter' is het een blinde, Borges-achtige grijsaard die een rekening te vereffenen heeft. Hij ontdekt, door woordbeelden voor zijn geestesoog te halen en wat met letters te husselen, dat de Aeneïs van ”vader' Vergilius, niet over Rome (Roma), maar over de liefde (Amor) gaat. Al verder pluizend komt hij tot de verrassende conclusie dat dit epos maar een liederlijk werkje is. “Tranen vulden de ogen van de dichter. Hij had gevonden wat duizend scholiasten en scholieren niet hadden gezien: de Aeneïs begon met een hexameter die obsceen was van het begin tot het einde. De correcte vertaling luidde: De fallus bezing ik van de macho die het eerst van de lippen van de schaamstreek...”

Het mooiste en brutaalste staaltje van toeëigeningskunst levert Claes in ”De driehoek', waarin hij Ulysses van James Joyce nog eens dunnetjes overdoet. Dit verhaal heeft het aanzien van een boek binnen het boek, compleet met titelpagina, colofon, voor- en nawoord, commentaar en noten. Niet elke lezer zal zich door deze ”Bloomiade' meteen aangetrokken voelen. Ulysses heeft nu eenmaal de naam een ”onleesbaar' boek te zijn, dat door de vele geleerde commentaren erop alleen maar ontoegankelijker is geworden voor de gewone sterveling. Jacq Vogelaar gaf tien jaar geleden in De Groene Amsterdammer, ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Joyce, al het advies om zich als hedendaags Ulysses-consument niet als een passieve lezer mee te laten sleuren, maar een actieve rol te spelen als (her)schrijver. Dit advies is door Paul Claes voorbeeldig opgevolgd. In een zogenaamd door Joyce zelf geschreven en door een Amerikaanse literatuurprofessor bezorgd ”epyllion' in achttien sonnetachtige verzen, wordt een overzichtelijke samenvatting van de roman gegeven. De driehoeksverhouding speelt een allesoverheersende rol in dit lichtvoetige eposje, met montere rijmparen als gras - regenjas, gister - Mr., combine - verdienen, reet - profeet en brief - sief (van syfilis). Zo luiden de eerste vier regels van het gedicht ”Ithaca', gemodelleerd naar wat oorspronkelijk het een-na-laatste hoofdstuk van Ulysses zou worden:

Wie zijn die mannen? Bloom en

Stephen.

Wat drinken zij? Een kop cacao.

Hoe kwamen zij in huis? Als dieven.

Waar denken zij aan? Aan de Vrouw.

Een aardig effect van deze Ulysses-bewerking zou wel eens kunnen zijn dat men erdoor aangemoedigd wordt om de roman nu toch maar eens te gaan lezen.

Uit de lezersschulp kruipen en zelf schrijver worden, dat lijkt het overkoepelende motto van dit aanstekelijke debuut. In het titelverhaal zet Claes de lezer ertoe aan om zijn eigen geesteskind niet te sparen, maar naar eigen goeddunken te herscheppen. Dat is vast ook de aangewezen manier om een ideaal boek tot stand te brengen.