Provinciaal in de beste zin van het woord

Het IVAM in Valencia organiseert geregeld tentoonstellingen die precies zijn wat je zou willen zien. Hoe komt dat? De directrice van het Instituto Valenciano de Arte Moderno legt giechelend uit wat haar beleid is, en wuift complimentjes weg. “Wij hoeven niet om de Picasso's te vechten,” zegt zij. “Dat schept vrijheid.” Het blijkt er goed te zijn, in Valencia.

In het IVAM zijn op dit moment een overzichtstentoonstelling te zien van de beeldhouwer Alexander Calder en de fotograaf Lee Friedlander (beide tot 15 nov), beelden van Pino Pascali (tot 22 nov) en foto's, video's, meubels, tekeningen en ander werk van de theatermaker Robert Wilson n.a.v. zijn Spaanse voorstelling Don Juan Ultimo.

Valencia is Rotterdam, maar dan met zon. Hetzelfde aangename mengsel van lulligheid en energie dat niet ogenblikkelijk de geest verheft maar wel verdomd veel ruimte schept. In de oude stad zijn winkels waar waaiers en handschoenen tussen vloeipapier worden bewaard, salons voor ijs en amandelmelk en bejaarden die sinds de jaren vijftig niet uit de kleren zijn geweest. Langs de toegangswegen wordt intussen efficiënt gebotteld en geblikt, geperst en gestanst, geraffineerd en gemonteerd want Valencia is een industrieel centrum van belang. Na de grootspraak en de sluimerende waanzin van Madrid of de drukke pretenties van Barcelona is de derde stad van Spanje een verademing. De Levant staat voor nuchterheid. Het waait er veel.

Wij waren naar Valencia gegaan om te zien wat er schuilgaat achter de letters IVAM. We wisten dat het de afkorting is van Instituto Valenciano de Arte Moderno. Maar waarom de tentoonstellingen in dat instituut zo vaak precies dat waren wat je zou willen gaan zien, wanneer Valencia tenminste niet zo ver weg zou zijn - dat wisten we niet. Het IVAM bestaat pas drie jaar en heeft in die korte tijd een reputatie verworven voor goeie plannen die met betrekkelijk weinig geld te verwezenlijken zijn. Het vult gaten en het legt verbanden. Het is opvallend zonder topkunst te vertonen. Het is een provinciaal museum in de beste zin van het woord.

Misschien lijkt dat vooral bijzonder omdat veel middelgrote steden in Europa (en tot voor kort ook in de Verenigde Staten) zo verschrikkelijk aan het prutsen zijn met nieuwe museums voor moderne kunst. Gebouwen zonder collectie, collecties zonder idee, ideetjes die te zwak zijn voor een tentoonstelling, tentoonstellingen die tot variété-voorstellingen zijn opgeblazen omdat de sponsor dat graag wil. Het is geen verheffend schouwspel en er komt voorlopig nog geen einde aan. Sinds gemeentebesturen weten dat kunstbezit toeristen lokt en zelfs onontbeerlijk is voor het hogere kader van bedrijven die zich willen vestigen in de streek, is iedere groeikern met ambities verplicht op zijn minst een "kunsthal' met ruimte voor ontvangsten in te richten. Als het al geen operahuis moet zijn.

Het probleem van die nieuwe museums is vaak, dat er geen verzameling is met voldoende kwaliteit om het uitgangspunt voor de vaste collectie te vormen. Met niets beginnen kan niet meer. De prijzen voor moderne kunst zijn daarvoor te hoog geworden. In Spanje klemt dat probleem des te erger omdat de beeldende kunst het er vier decennia lang vrijwel zonder steun of sympathie van de overheid en zelfs zonder grote particuliere verzamelaars heeft moeten stellen. Het eerste, grote nationale museum voor moderne kunst ging pas in 1986 open. Het mocht om te beginnen 1 miljard peseta's (ongeveer 18 miljoen gulden) aan aankopen uitgeven en werd bovendien gespekt met de Guernica en legaten van Dali en Picasso. Toch moest de presentatie van de vaste collectie zeven keer worden uitgesteld. Afgelopen weekeinde was het zo ver en het resultaat is, vriendelijk gezegd, nog altijd een beetje onevenwichtig.

Herbergzaam

Carmen Alborch is sinds vier jaar directrice van het IVAM. “Het is in sommige opzichten natuurlijk moeilijker om in de periferie van Spanje en van Europa te opereren,” zegt Alborch. Je moet echt moeite doen om contacten te onderhouden, er gaat weinig vanzelf. Maar de druk is ook minder groot en dat schept vrijheid. Wij hoeven niet om de Picasso's te vechten.”

Het IVAM is een doos van een gebouw, dat op het eerste gezicht wel iets van De Doelen heeft. Het ligt met zijn glazen gevel aan een weg met veel verkeer en met zijn rug in een volkswijk met vervallen appartementenblokken en kleine fabriekjes. Van binnen is het onverwacht herbergzaam, onder meer dankzij de consequente herhaling van ronde en vierkante elementen binnen de rechthoek van hallen en zalen. De kern van de vaste collectie wordt gevormd door werk van de beeldhouwer Julio Gonzalez, een vriend en tijdgenoot van Picasso die een tijdlang in de Renault-fabrieken werkte om het lassen beter onder de knie te krijgen en als de uitvinder van de moderne metaalsculptuur wordt beschouwd.

Gonzalez werd in Barcelona geboren en stierf in Frankrijk. Met Valencia heeft hij dus weinig van doen. Hetzelfde geldt voor de uitgebreide verzameling tekeningen, boekomslagen, foto's en fotomontage's van onder andere Georg Grosz en John Heartfield (Wieland Herzfelde) die in 1991 van de Zwitserse verzamelaar Marco Pinkus werd gekocht. Maar het aardige van de manier waarop het IVAM verzamelt en tentoonstelt is nu juist de manier waarop verbanden worden gelegd tussen plaatselijke kunstenaars en internationale grootheden. Tussen Gonzalez en de impressionistische schilders Joaquin Sorolla en Ignacio Pinazo, die op eigen initiatief de weg naar de abstractie insloegen. Tussen de montages van Grosz en Heartfield en het werk van Josep Renau, een fotograaf uit Valencia die in de jaren dertig volgens dezelfde principes werkte en zijn krachten in dienst stelde van de Republiek. Als directeur van het Spaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling van Parijs gaf hij Picasso opdracht voor de Guernica en hij stierf in Berlijn in 1982 als beheerder van de nalatenschap van Heartfield.

Buurthuizen

“Wij schamen ons er niet voor dat we als museum een educatieve taak te vervullen hebben,” zegt Carmen Alborch. “Niet alleen voor de jeugd, maar voor heel Valencia. Er is hier nooit een museum voor moderne kunst geweest. Uitgangspunt van de collectie is daarom, dat we de hedendaagse kunst perspectief, historie willen geven. We beginnen bij de crisis van de jaren dertig en richten ons soms op weliswaar marginale, maar verbindende figuren. Natuurlijk zullen we nooit scoren met een tentoonstelling over Josep Renau, maar we hebben ons voorgenomen dat niet erg te vinden. Consistentie is belangrijker dan succes. Ons beleid is misschien niet spectaculair, maar treft wel doel. De bezoekersaantallen groeien gestaag. We doen projecten met scholen en buurthuizen. Het zou krankzinnig zijn als we ons in deze uithoek alleen maar op het vergroten van onze internationale reputatie zouden richten.

“Wanneer het IVAM iets aankoopt van een bekende kunstenaar is het meestal niet zijn meest kenmerkende werk maar eerder een doek of een tekening dat een andere richting op wijst, dat duidelijk maakt waar de maker stond in het veld van krachten om hem heen. Natuurlijk zijn we ons steeds bewust van ons beperkte budget, maar we proberen ons daardoor niet te laten frusteren. Fotografie en fotomontage zijn specialisaties waar de kunstmarkt zich nog niet volop op heeft gestort en dus zijn de prijzen niet zo'n groot beletsel voor aankopen. Verkopers kijken vaak nog hoe serieus de instelling is waar hun verzameling terechtkomt. Dat heeft in ons voordeel gewerkt bij Marco Pinkus. Uit de jaren zestig verzamelen we informele kunst en pop-art, stromingen die wel enige verwantschap hebben met de collages van de jaren dertig. Maar we hebben bijvoorbeeld al heel snel besloten dat we niets van Andy Warhol hoefden te hebben. We richten ons op James Rosenquist en Richard Hamilton, kunstenaars die niet al overal vertegenwoordigd zijn en voor wie we dus iets kunnen betekenen. Je moet je beperken, je project definiëren. Dan blijkt al snel dat mensen die iets aan te bieden hebben ook naar jou toe komen, jij niet alleen naar hen.”

Het klinkt allemaal heel flink, maar de directrice draagt het voor met relativerende lachjes en giechels in haar stem. Zij is helemaal geen kunsthistoricus, maar een eenvoudig juriste. Als er complimenten worden uitgedeeld dan stuurt ze die zoveel mogelijk door naar haar staf, naar haar voorganger en naar de Generalitat van Valencia, de regionale regering, die zo'n twintig miljoen gulden per jaar aan het IVAM geeft. Van dat geld kan behalve het museum ook nog een aparte expositieruimte voor jonge kunstenaars worden onderhouden. Even later lopen we met de secretaris van de directrice door de nauwe straatjes achter het museum. Langs een werkplaats waarin altaarbeelden worden gerestaureerd, een olijfoliefabriek, een meubelmakerij en de kunstacademie naar het Centre del Carme, een reeks zalen waarvan de bouwgeschiedenis in de dertiende eeuw begint en die een halfoverwoekerde kloosterhof, een kerk, een ontvangstruimte voor buitenlandse ambassadeurs en een politiebureau omvat. Alles nu leeg en gepleisterd en voorzien van adembenemend licht. Kunstenaars die er exposeren vragen soms of hun werk er niet mag blijven. Alleen de Duitser Lothar Baumgarten is dat tot nu toe gelukt. Hij bracht de namen van verschillende elementen in verschillende talen aan op de muren van de hof en langzaam gaan die ingrepen nu al op in het brokkelige, vochtige en soms ook mossige geheel. Terwijl we rondlopen, galmt onder de bogen al het getimmer dat een volgende tentoonstelling aankondigt. Zo is het goed. Valencia is wel een omweg waard.