Overheid mag wel degelijk heroïne verstrekken; Heroïneverstrekking zal overlast niet verminderen; Rotterdam brengt landlopersbesluit in stelling

ROTTERDAM, 11 SEPT. In de onmiddellijk losgebarsten discussie over het plan van de Rotterdamse politie heroïne te gaan verstrekken aan verslaafden die eigenlijk ten dode zijn opgeschreven, maakte minister Hirsch Ballin (justitie) tot nu toe de eigenaardigste opmerkingen. Bij zijn "onaanvaardbaar' zei hij dat voor zo'n experiment “geen enkele wettelijke basis bestaat”.

Het was de bewindsman mogelijk ontgaan dat een arts opiaten - zoals heroïne - mag voorschrijven, wat verankerd is in de Wet op de uitoefening van de geneeskunst. Een apotheker geeft vervolgens het opiaat af, indien is voldaan aan de voorwaarden, zoals die verwoord zijn in het Besluit voorschrijven opiummiddelen, een aanhangsel van de Opiumwet. Zo moet de dokter de hoeveelheid mede in letters hebben uitgedrukt, zodat niet met cijfers op het recept kan worden gesjoemeld en moet hij met onuitwisbare inkt hebben gesigneerd.

Dominee Visser van de Pauluskerk in Rotterdam had het goed begrepen. Hij is blij als deze verstrekking in een "medisch-sociale setting' komt. Daarvoor laat de wet ruimte. Zo wordt in Amsterdam morfine verstrekt aan zwaar verslaafden en kunnen junks daar ook injecteerbare methadon krijgen. Dat laatste hebben verslaafden liever dan het drankje, omdat een "shot' in de ader meteen een "flash' geeft, terwijl het oraal ingenomen maar langzaam tot geestverruiming leidt. Het is juist de hunkering naar de "flash', die methadongebruikers toch geregeld naar de heroïne drijft.

Ook had Hirsch Ballin het over de internationale verplichtingen die Nederland heeft. Die opmerking is evenmin gemakkelijk te plaatsen. De Amsterdamse professor mr. C. F. Rüter (strafrechtswetenschappen) wijst er op dat aan het verstrekken van harddrugs in sommige Duitse steden “buitengewoon krachtig wordt gedacht”, omdat het daar met de junks gierend uit de hand loopt. Een conservatief land als Zwitserland is er in Bazel al mee begonnen. Rüter: “En dat is volstrekt begrijpelijk. Als er een medische noodzaak is om mensen op die manier in leven te houden - overeind te houden - dan bestaat die mogelijkheid. Zeker ook in Nederland.” In Engeland worden al decennia lang opiaten verstrekt aan hopelozen en in de VS wordt gedacht aan het invoeren van methadonprogramma's.

Een punt waar Rüter zich over verbaast, is dat uitgerekend de minister van justitie per ommegaande als eerste reageerde. “Je zou toch zeggen dat eerst de bewindslieden van WVC aan het woord zouden komen, van het eerst verantwoordelijke ministerie voor drugsbeleid. Zo niet, dan zou ik Binnenlandse Zaken hebben verwacht, het gaat per slot om een initiatief van de politie. Maar nee, Hirsch Ballin doet het woord. Met drugs kun je je kennelijk groot maken.”

De minister heeft zich krachtiger uitgesproken dan voormalige bewindslieden in de laatste tien jaar. Op 19 april 1983 liet toenmalig staatssecretaris Van der Reijden (volksgezondheid) aan de Tweede Kamer naar aanleiding van een plan van B en W van Amsterdam weten, geen voorstander te zijn van heroïneverstrekking. Maar hij voegde daar wel aan toe dat het “niet uitgesloten is dat dit standpunt in de toekomst wordt herzien”. Omdat de voor- en nadelen niet waren te overzien.

Voor Van der Reijden was een onderzoek van Janssen en Swierstra van de economische faculteit in Groningen een belangrijk gegeven. Het wees uit dat zelfs bij legalisering de handel niet zou verdwijnen. Het crimineel gedrag van de verslaafde zou niet verdwijnen. Van der Reijden wilde slechts toestaan dat methadon en morfine onder medisch toezicht zouden worden verstrekt.

Van der Reijden wees er in die tijd nog maar eens op dat heroïne in 1972 was geïntroduceerd door handelaren die het spul doelbewust tegen zeer lage prijzen op de markt brachten. Wanneer 1.200 verslaafden - daarin voorzag het Amsterdamse plan in 1983 - het spul zouden krijgen, dan zou dat nog geen serieuze concurrentie voor dealers betekenen. Zij zouden ter compensatie een bron van nieuwe, jonge gebruikers gaan aanboren.

In de tussentijd is deze verstrekking van overheidswege geregeld punt van discussie geweest. Dat alles werd gevoed door een falende hulpverlening. In 1984 was er sprake van een chaos in die sector en daar is geen verbetering in gekomen. Toen dit in 1980 al werd gesignaleerd zou het beter gaan, maar in 1984 werd nog eens vastgesteld dat er jaarlijks vijftien miljoen heenging met die hulpverlening en dat het rendement te verwaarlozen was. Hooguit tien procent "ontwent' na behandeling. Kosten: 20.000 gulden per persoon. Het cocaïneprobleem moest zich toen nog aandienen.

Het punt van de overlast was immer de spil waar het vraagstuk van de verstrekking om draaide. De Haarlemse psychiater R. Tonneyck schreef in 1984 al dat men zich daar geen illusies over moest maken. “Een hardnekkig misverstand is dat de criminaliteit zal dalen, wanneer men voldoende verslavende middelen ter beschikking stelt. Uit eigen ervaring weet ik dat ten minste vijftig procent al voor de verslaving crimineel gedrag vertoonde. Ook is bekend dat een groot deel van de "kick' van de verslaving bestaat uit het verkrijgen van de middelen. De verslaafde steelt namelijk niet alleen om de drugs te bekostigen, maar zeker ook omdat de spanning, hierdoor verkregen, als lustvol wordt ervaren en op die manier een groot deel van de dag gevuld kan worden. Een onderdeel van zijn probleem is immers het creëren van een zinvolle dagvulling.”

Sedertdien is het een komen en gaan geweest van plannen om harddrugs te verstrekken. Begin dit jaar nog maakte de gemeente Arnhem bekend verslaafde prostituées aan drugs te willen helpen, omdat het was mislukt met de 'gedoogzone'. Een bijkomend voordeel was dat met het aidsvirus (HIV) geïnfecteerde vrouwen zich wellicht niet meer zouden prostitueren. Het plan is nog niet tot uitvoering gekomen.

Die mythe over het verdwijnen van overlast steekt ook bij het Rotterdamse plan weer de kop op. Burgemeester Peper verdedigt het idee door te wijzen op “de samenleving die het niet meer neemt”. Peper heeft met die uitspraak verwarring gesticht.

Korpschef R.H. Hessing tekent zijn "drieluik' heel nauwkeurig. “Alleen die ten dode zijn opgeschreven en nooit meer in de samenleving kunnen terugkeren komen in aanmerking voor verstrekking”, zo licht hij het Jaarplan 1993 toe. Dat betreft dus junks die bij wijze van spreken niet eens meer in staat zijn een auto te kraken. Voor een tweede groep - de criminele gebruikers - staat Hessing geen verstrekking van heroïne voor, maar een gedwongen behandeling. “Daarbij gaat het om mensen die na een delict tien, twintig keer de straat op worden gestuurd, omdat er geen cel voor ze is, omdat justitie geen tijd heeft om ze te vervolgen en omdat de rechterlijke macht geen tijd heeft om tot een vonnis te komen.”

En dan is er een derde groep die voor overlast zorgt. Dat zijn de Marokkaanse, illegaal in ons land verblijvende jongeren. Zij weten dat de Staat der Nederlanden geen kant met ze uit kan, omdat Marokko ze eenvoudig weigert als ze worden teruggestuurd. Ook zij komen volgens Hessing niet voor verstrekking in aanmerking. “Deze jongens lachen om ons, omdat ze weten dat we niks kunnen. Maar dan zeg ik: er is ook nog een Landlopersbesluit. Dan moeten we ze op grond daarvan oppakken.” Wat minister Hirsch Ballin wellicht ook niet wist is dat de hoofdofficier van justitie in het arrondissement akkoord is met de verstrekking aan die eerste groep.

Wat de korpschef duidelijk maakt is dat er met het verstrekken van heroïne geen eind aan de overlast komt. Dat mag er ook niet van worden verwacht. Dat bleek eind vorig jaar al uit een onderzoek van het ministerie van justitie. Het gaf aan dat negentig procent van alle drugverslaafden bijvoorbeeld geen auto's kraakt. Slechts een kleine groep, tien procent van alle verslaafden, pleegt zestig tot zeventig procent van alle gerapporteerde delicten.

Bovendien - en dat moet psychiater Tonneyck worden nagegeven - blijkt het gros van de criminele verslaafden al in aanraking met de politie te zijn geweest, voordat ze drugs gingen gebruiken.

Maar de onderzoekers van Justitie stonden “wel positief ten opzichte van het onder medisch toezicht verstrekken van heroïne aan wat wordt genoemd de verloederde junkies”. Niet meer en niet minder dan wat het Rotterdamse plan beoogt.