Ouderdom

Heleen is deze week vier geworden. Ik kan niet naar haar verjaardag en bezoek haar de dag na het grote feest. Weet ik wel hoe oud ze nu is? Ze heeft het aan een stuk door over haar nieuwe leeftijd. En ook van anderen wil ze het geboortejaar weten. Hoe oud is die tafel, hoe oud is die sigaret, hoe oud is god?

Terwijl ze praat maakt ze het pakje, dat ik voor haar heb meegebracht, met vlugge vingers open. Ratsj, kratsj, ratsj, het papier scheurt aan alle kanten. Als ze ziet dat het een boek is legt ze het meteen weg.

“Ik heb een veel mooier boek gekregen.”

Het is helemaal wit. Op het omslag staat geen plaatje en het boek heeft geen naam. Ik sla het open, maar ook alle bladzijden zijn wit. Verbaasd kijk ik haar aan.

“Je snapt het zeker niet”, zegt ze. “Ik zal het je laten zien.”

Ze begint heel vlug met een potlood over een bladzijde te strijken. Met de zijkant, niet met de punt. Onder onze ogen ontstaat een krokodil. Eerst de staart, daarna het lijf en dan die lange bek met de scherpste tanden.

Ze heeft drie van die witte boeken gekregen. Twee zijn er al vol. Ze heeft er nog steeds geen genoeg van en strijkt maar door. Het is een wonder om te zien hoe een aap, een beer, een koopman met ballonnen uit het niets te voorschijn komen.

Even kijkt ze me lachend aan.

“Wie heeft dat allemaal getekend?” vraagt ze.

Dan werkt ze weer door.

Wat moet ik antwoorden? Ik kan niet zeggen dat Heleen de tekeningen heeft gemaakt. Ze staan allemaal onzichtbaar in dat witte boek. Maar zonder de bewegingen van Heleens potlood zou ik niet het meisje zien dat met strikken en schoentjes het papier begint te bedekken. Nog even, ja, nu is het af.

“Ze is jonger dan ik. Kijk maar, ik word al oud. Mijn benen zijn ouder dan mijn armen.”

Ze wijst naar haar knieën. Er zitten een paar schrammen en een paar plekjes hardnekkig vuil op. Ze moet op het verjaarsfeest vaak zijn gevallen.