Normaal wonderkind

Henk Figee, Lodewijk het wonderkind. Uitg. Van Goor, ƒ 22,90. Vanaf ca. 10 jaar.

Barbara Robinson, Mijn broer spaart wormen. Vertaald door Johan Hos. Met tekeningen van Peter van Hugten. Uitg. Jenny de Jonge, ƒ 23,75 Vanaf ca. 10 jaar.

Sinds er een soort belangenvereniging bestaat voor hoogbegaafden, hoor je nog maar weinig over Het Wonderkind. Nu ik erover nadenk, wil mij geen recenter voorbeeld te binnen schieten dan Yehudi Menuhin en die is inmiddels het kindstadium toch wel ruimschoots gepasseerd. Misschien komt het doordat te midden van al die hoogbegaafde bollebozen (naar verluidt toch nog altijd zo'n vijf procent van de mensheid) de Uitzonderlijke Talenten wat minder opvallen - wat in ieder geval als voordeel heeft dat er niet meer zo met ze wordt gesold. Want een echt wonderkind heeft het bepaald niet makkelijk, tenminste niet als de ouders er zo nodig mee willen schitteren.

Lodewijk van Hoven, de hoofdpersoon in het nieuwste boek van Henk Figee, is zo'n wonderkind. Zijn ouders hebben aanvankelijk niets in de gaten, tot de meester van school hun tijdens een ouderavond vertelt dat Lodewijk extreem muzikaal is. De ouders moeten een beetje wennen aan het idee ("mijn zoon is volstrekt normaal, meester'), maar besluiten toch een viool te kopen voor hun zoon omdat hij er als het een beetje meezit later schatrijk mee kan worden. Naarmate Lodewijk zijn talent verder ontwikkelt, komt hij er achter dat er heel wat geschifte types op de wereld rondlopen. Zijn eerst zo terughoudende ouders voeren de raarste dansjes uit als hij speelt en Elsa von Halen, de lichtelijk getikte dame die hem les geeft, wordt al lyrisch zodra ze een paardeharen strijkstok in handen heeft ("als het paard zou weten waarvoor zijn haren worden gebruikt, zou het hinniken van geluk'). Na een uitzinnig straatoptreden met de minstens zo geschifte trommelaar Benzo wordt Lodewijk ontdekt door "de man van de koningin', een wat somber type dat constant geduldig achter zijn vrouw aan moet hobbelen. Lodewijk en de man van de koningin hebben veel met elkaar gemeen: de buitenwereld beschouwt ze als heel bijzondere mensen, terwijl ze zich zelf juist doodgewoon vinden.

Lodewijk het wonderkind is een nogal rommelig boek. Figee laat het toch al niet ijzersterke verhaal regelmatig inzakken door passages nodeloos uit te rekken (zoals de kennismaking met de irritante trommelaar), terwijl hij bovendien de neiging heeft te veel te steunen op in wezen aardige ideeën, zoals de introductie van het - inderdaad nogal op Beatrix en Claus lijkende - vorstenpaar. Ondanks die gebrekkige opbouw slaagt Figee er wel in over te brengen wat hij in zijn inleiding al zo aardig weergaf: in elk wonderkind gaat, gelukkig, een gewoon mens schuil, in dit geval een nuchtere jongen die zich af en toe vreselijk geneert voor die rare - maar toch wel aardige - ouders van hem. Figees sterkste troeven zijn zijn plezierige stijl en zijn humor. Zo laat hij de man van de koningin, als hij en zijn vrouw op het punt staan zich ter ere van koninginnedag onder het volk te begeven, sputteren: "Jouw moeder nodigde ze tenminste nog in de tuin uit.'

Nog meer prettig gestoorde volwassenen in Mijn broer spaart wormen van de Amerikaanse schrijfster Barbara Robinson. Dit boek bevat tien verhalen waarin we aan de hand van een meisje van tien kennismaken met een op z'n zachtst gezegd merkwaardig gezin en een handvol malle tantes. In deze uitstekend geschreven verhalen wemelt het van de rare toevallen en misverstanden, die in de hand worden gewerkt doordat men ofwel meent aan een half woord genoeg te hebben ofwel geen zin heeft om uit te leggen hoe het werkelijk zit. Onweerstaanbaar is de warhoofdige moeder van het gezin, die maar niet wil toegeven dat ze geen enkel richtingsgevoel heeft. Zo ontwikkelt ze de gewoonte om, telkens wanneer ze een bloemtentoonstelling moet jureren, achter auto's aan te rijden die op de een of andere manier iets "bloemigs' hebben: die zullen er ook wel heen gaan.

Door de indirecte en onnadrukkelijke manier waarop ik-figuur de verhalen vertelt worden ze nergens kluchtig. Integendeel, de geestige toon blijft vrijwel steeds gehandhaafd. Dit is zo'n kinderboek dat - à la Adrian Mole - ook z'n volwassen lezers wel zal weten te vinden. Of het autobiografisch is vermeldt het fraaie omslag niet, maar het kan haast niet anders: zulke verhalen verzin je niet.