Nieuwlichterij is hoogverraad; Cicero's Catilinarische redevoeringen vertaald

Gemeten in doden en gewonden is "de samenzwering van Catilina' niet meer dan een voetnoot in de bloedige Romeinse geschiedenis van de eerste eeuw v. Chr. Maar voor consul Cicero was het "de grootste en wreedste van alle oorlogen sinds mensenheugenis'. Onlangs verscheen een nieuwe vertaling van Cicero's vier beroemde redevoeringen tegen Catilina.

“Daarin ligt de tragiek van Cicero; hij hunkerde naar een verleden dat nooit had bestaan, en wilde juist de staatsman zijn waaraan de republiek in haar nadagen geen behoefte had.”

Cicero: Tegen Catilina (Orationes in Catilinam). Vertaling en inleiding Evelien van Leeuwen en J. van Leeuwen. Uitg. Ambo, 111 blz. Prijs ƒ 35,-

Door zijn biografen wordt Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.) afgeschilderd als een twijfelaar in de filosofie en een januskop in de politiek. Hij was zelfingenomen, hypocriet en snobistisch, en leed zijn leven lang aan megalomanie. Toch is hij de geschiedenis ingegaan als een groot man - als een der meest bewonderde Romeinen zelfs. Cicero had namelijk een overweldigend talent: hij kon spreken als Odysseus en schrijven als Calliope. Zijn monumentale proza werd in later eeuwen verheven tot gouden standaard van het Latijn, terwijl zijn retorische beheersing een inspiratiebron was voor redenaars als Robespierre, Goebbels en John F. Kennedy. "Cicero', schreef de Romeinse schoolmeester Quintilianus al in de eerste eeuw na Christus, "is niet de naam van een man, maar van de welsprekendheid zelf.'

Cicero zou niet verlegen zijn onder de lof voor zijn literaire prestaties. Hij zou hoogstens klagen dat zijn poëzie zo ondergewaardeerd was. Valse bescheidenheid was niet een van zijn ondeugden. In een geschiedenisboek over beroemde redenaars dat hij drie jaar voor zijn dood schreef, presenteerde hij zijn eigen verrichtingen zonder gêne als de climax van de Romeinse welsprekendheid. Maar zelfs dat was hem niet genoeg. Als er één ding was waarvoor Cicero zijn rechterhand wilde geven, dan was het om herinnerd te worden als een groot staatsman. Een succesvol politicus die, met zijn oratorisch vermogen als belangrijkste wapen, Rome met gevaar voor eigen leven had behoed voor het grootste onheil.

Cicero's aanspraak op glorie bij het nageslacht dateerde van het jaar 63 v. Chr., toen hij samen met een wankelmoedige collega het consulschap bekleedde. Als hoogste magistraat van de Romeinse republiek kreeg hij te maken met een poging tot staatsgreep en een moordaanslag op zijn persoon. Aanstichter van de coup was senator Lucius Sergius Catilina, een aristocratische fortuinzoeker die twee keer vergeefs had geprobeerd om via verkiezingen consul te worden. Toen het door politieke machinaties in de zomer van 63 opnieuw niet lukte, zon hij op wraak: hij recruteerde een leger van avonturiers in de provincie en wierf aanhangers onder senatoren en vooraanstaande ondernemers. Zijn scenario voor de staatsgreep was even simpel als de voorbereiding: eerst moesten bij verrassing de hoogste magistraten uit de weg worden geruimd, dan zou een mars op Rome volgen, en ten slotte zou hij zichzelf benoemen tot dictator.

De plannen lekten uit. Door krachtdadig optreden van consul Cicero - wiens inlichtingendienst zich uitstrekte tot de minnares van een van de samenzweerders - werden de kopstukken van het complot in Rome gepakt en na een door Cicero voorgezeten senaatsvergadering zonder proces geëxecuteerd. Kort daarna werd de gevluchte Catilina met zijn legertje in Etrurië verslagen.

Vlammenzee

Gemeten in doden en gewonden is "de samenzwering van Catilina' niet meer dan een voetnoot in de bloedige Romeinse geschiedenis van de eerste eeuw v. Chr. Voor Cicero was het "de grootste en wreedste van alle oorlogen sinds mensenheugenis'. Je bent maar één jaar consul, moet hij gedacht hebben, en niet iedere consul kreeg zo'n prachtige kans om gloria voor zichzelf op te eisen. En dus nam de mislukte staatsgreep in zijn redevoeringen en geschriften titanische proporties aan. Rome was gered door de consul, maar het had niet veel gescheeld of het ergste schrikbeeld was werkelijkheid geworden. “Ik zie voor me”, sprak Cicero in december 63 tot de Senaat, “hoe deze stad, licht der wereld en bolwerk van alle volkeren, plotseling in één vlammenzee ten onder gaat; met mijn geestesoog neem ik stapels lijken van burgers waar, ellendig en onbegraven, in het tot massagraf geworden vaderland; de aanblik van een waanzinnige Cethegus [een der samenzweerders] dansend in uw bloed waart rond voor mijn ogen.”

Dit apocalyptische visioen, in het Latijn slechts 39 woorden lang, is afkomstig uit de laatste van de vier redevoeringen die Cicero "in Catilinam' hield. De strijd was al gestreden maar de consul hield de schrik er goed in: per slot van rekening moest over het lot van de samenzweerders nog beslist worden. Hoe het debat in de Senaat verliep, werd twintig jaar later beschreven door de geschiedschrijver Sallustius. De rechtlijnige conservatief Cato (een man die volgens Cicero het idee had dat hij leefde "in Plato's ideale staat en niet in de beerput van Romulus') was voor de doodstraf, de populist Julius Caesar vond levenslange gevangenisstraf genoeg. Toen de Senaat besloot de gevangenen te laten wurgen, werd de beslissing door Cicero zo snel mogelijk uitgevoerd. "Vixerunt' moet hij het volk na de executies hebben toegeroepen - "ze zijn er geweest'.

In 60 v. Chr., drie jaar na zijn annus mirabilis, publiceerde Cicero de bijgewerkte transcripten van zijn Catilinarische redevoeringen. Ze zijn overgeleverd als het hoogtepunt van Cicero's redenaarskunst en een schoolvoorbeeld van effectieve politieke propaganda. Ook in de nieuwe, ietwat stijve Nederlandse vertaling die onlangs uitkwam in de reeks Ambo Klassiek, wordt duidelijk wat voor uitwerking Cicero's retorische wendingen moeten hebben gehad; sommige zijn zelfs spreekwoordelijk geworden, zoals de conservatieve lijfspreuk O tempora o mores, of het Quousque tandem uit de Eerste Redevoering ("Hoe lang nog, Catilina, zult u misbruik maken van ons geduld'). Alleen al door Cicero's literaire kwaliteiten was Catilina gedoemd. Hij zou niet alleen het pleit verliezen, maar bovendien de geschiedenis in gaan als de vleesgeworden verdorvenheid.

Wellust

Cicero wist wat hem te doen stond, toen hij op 8 november 63 de tempel van Jupiter Stator binnenging om de verzamelde senatoren in te lichten over de mislukte aanslag op de consuls en over de dreigende staatsgreep. Hoe onmenselijker hij de aanwezige Catilina zou afschilderen, des te ernstiger zou de situatie lijken. En hoe ernstiger de situatie, hoe meer eer voor de dappere consul. Dus werd Catilina een "opruier van slaven en verdorven burgers', een "massamoordenaar' en een "voortwoekerende pest'. “Hoeveel schande (-) kleeft niet aan uw naam”, beet Cicero hem toe. “Nooit ontbrak in uw ogen de wellust, in uw handen de misdaad, in heel uw lichaam de liederlijkheid. Aan welke jongeman, die in de verlokkingen van uw verdorvenheid verstrikt raakte, hebt u niet voor een brute daad het zwaard, voor wellust een fakkel aangereikt?”

Catilina was ongetwijfeld geen aangename persoonlijkheid. Net als vele van zijn generatiegenoten had hij gemoord en gebrandschat tijdens de burgeroorlogen, en als gouverneur van Africa had hij de bevolking het vel over de oren getrokken om op typisch Romeinse wijze "zijn schulden te saneren'. Maar het beest dat Cicero van hem maakte was hij niet; vooraanstaande burgers waren lange tijd met hem bevriend, en een deel van het Romeinse plebs zag in hem zelfs een sociaal hervormer die de macht van de senatoriale klasse zou breken. Tegen Cicero's smaadrede kon hij echter niet op. Hij ontvluchtte de Senaat en de stad, en voegde zich bij zijn "leger van failliete plattelanders en desperate bejaarden' - als staatsvijand nummer een.

Een dag later deed Cicero er op het Forum een schepje bovenop. In een verslag van de gebeurtenissen waarschuwde hij het toegestroomde volk voor infiltranten en gaf hij een beschrijving van Catilina en zijn aanhangers. Zelden werd er giftiger gescholden dan in deze Tweede Catilinarische Redevoering, zelden gebruikte een spreker zulke absurde retorische vragen om zijn tegenstanders de grond in te trappen. Welk kwaad heeft Catilina eigenlijk niet op zijn geweten? donderde Cicero in het vuur van zijn betoog. “Is er in heel Italië een gifmenger, zwaardvechter, struikrover, huurmoordenaar, vadermoordenaar, een vervalser van testamenten, oplichter, kroegloper, verkwister, echtbreker, een gevallen vrouw, bederver van de jeugd, een immoreel en verdorven type te vinden, die kan verklaren dat hij niet op zeer vertrouwelijke voet met Catilina heeft verkeerd?”

Kikkererwt

Cicero's doorgeschoten engagement had diepere oorzaken. Natuurlijk, Catilina had geprobeerd hem te vermoorden, en als politicus kon hij alleen maar winnen bij het zwart maken van zijn tegenstander. Maar wat zwaarder woog, was dat Catilina een bedreiging vormde van alles waar Cicero voor stond. Vanaf zijn jongste dagen had Marcus Tullius Cicero er alles aan gedaan om toe te treden tot de aristocratie van Rome. Hij was geboren in het provinciestadje Arpinum en kon zich niet beroemen op aanzienlijke voorouders (zijn naam, Latijn voor (kikker)erwt, verwees mogelijk naar hun nederige agrarische beroep). Het waren zijn redenaarstalent en zijn succes als advocaat die hem in de Senaat hadden gebracht, als eerste homo novus (nieuweling) sinds dertig jaar. Om zich te verdedigen tegen het snobisme van de gevestigde adel gedroeg hij zich dan ook Romeinser dan de Romeinen.

Catilina wilde revolutie, een omverwerping van de res publica Romana. Cicero was een aartsconservatief voor wie nieuwlichterij gelijk stond aan hoogverraad. Als adspirant Romein van de oude stempel waren de normen en waarden van de helden uit het verleden voor hem heilig; het o tempora o mores lag hem op de lippen bestorven. “Onsterfelijke goden!”, riep hij uit toen hij Catilina op 8 november in de Senaat zag zitten, een paar uur na de mislukte aanslag op het leven van de consuls. “Waar ter wereld bevinden we ons eigenlijk? Wat hebben we voor staat? In wat voor stad leven we?”

Hoewel de senatoren gewend waren aan Cicero's minachting voor de moderne tijd, zal het Hear, Hear! bij deze retorische vragen niet van de lucht zijn geweest. De Romeinse staat was ver verwijderd van de kleine republiek die in de voorafgaande eeuwen de Middellandse Zee in Mare Nostrum, "Onze Zee', had veranderd. Langdurige veroveringsoorlogen hadden de boerenstand, hoeksteen van het Romeinse leger, gedecimeerd en het Italische platteland uitgeput. Het geld dat in de vorm van oorlogsbuit en belasting uit de provincies naar Rome was gekomen, had de heersende elite niet alleen vermogend gemaakt, maar volgens velen ook decadent. Zo schreef Sallustius dat de traditionele Romeinse virtus (deugd) - een combinatie van eenvoud, ijver en onomkoopbaarheid - had plaatsgemaakt voor corruptie en hebzucht. Dat Rome vanaf het eind van de eerste eeuw v. Chr. door burgeroorlogen geteisterd werd, kon dan ook gezien worden als een straf van de goden.

De situatie was ernstig, maar voor Cicero was de res publica nog niet verloren. Hij predikte een ethisch reveil. Wanneer rotte plekken als Catilina waren weggesneden, kon Rome weer worden wat het in zijn ogen vroeger was geweest: een ordelijke, stabiele wereldmacht, harmonieus geleid door Senaat en volksvergadering, met verlichte aristocraten aan het hoofd.

Hordes

Cicero vergiste zich natuurlijk. Het Romeinse rijk was te groot en te complex geworden om nog met behulp van de voorvaderlijke staatsinrichting te besturen. Daarbij was zijn visie op de antieke republiek een romantisch ideaal: Senaat en Volk van Rome hadden al vanaf het verjagen van de Etruskische koningen met elkaar overhoop gelegen, en ook in de gouden tijden van Appius Claudius en Cato de Censor waren er omkopingsschandalen en gedegenereerde aristocraten geweest. Als groot kenner van de Romeinse geschiedenis moet Cicero dat geweten hebben. Toch hield hij dapper vast aan zijn ideaal - in 63, toen de republiek bedreigd werd door de "hordes' van Catilina, maar ook twintig jaar later, toen al lang was gebleken dat het Imperium Romanum alleen in bedwang kon worden gehouden door een dictator als Caesar.

Daarin ligt de tragiek van Cicero; hij hunkerde naar een verleden dat nooit had bestaan, en wilde juist de staatsman zijn waaraan de republiek in haar nadagen geen behoefte had. Cicero geloofde in de macht van de rede en het primaat van de politiek; hij kon ook niet anders, want het was op het spreekgestoelte dat hij heer en meester was - niet op het slagveld. Maar wat moest het Rome van de burgeroorlogen, van de onbeheersbare legioenen, met een leider die serieus meende dat de wapenen moesten wijken voor de toga ("cedant arma togae') en de overwinningskrans voor niet-militaire roem ("concedat laurea laudi')?

Na het onderdrukken van de samenzwering van Catilina was Cicero's politieke rol uitgespeeld. Zijn jaar als consul was snel vergeten, daar kon ook de publikatie van de Catilinarische redevoeringen weinig aan veranderen. “Voor zulke grote successen”, had hij in zijn tweede toespraak tot de burgers van Rome nog gezegd, “vraag ik van u geen enkele beloning voor moed, geen onderscheiding, geen monument voor verdienste, slechts de eeuwigdurende herinnering aan deze dag.” Een paar jaar later werd hij zelfs voor korte tijd verbannen omdat hij de handlangers van Catilina had laten veroordelen zonder ze het recht op beroep te gunnen.

Mokken

De rest van zijn leven zou Cicero mokken om zijn politieke miskenning. Als goed Romein vulde hij zijn vrije tijd op een waardige manier, met het schrijven van filosofische verhandelingen en het bewerken van zijn redevoeringen. Maar intussen wachtte hij op een kans om Rome nog één keer te bewijzen dat zijn staatsmanschap onmisbaar was.

Die kans kwam op zijn 62ste, in de strijd die na de moord op Caesar uitbarstte tussen Marcus Antonius en Caesars 19-jarige adoptiefzoon Octavianus. Cicero koos partij voor de jongeman - die kon immers na de overwinning snel weer terzijde geschoven worden - en hield als elder statesman veertien verpletterende redevoeringen waarin hij Antonius afschilderde als het wreedste monster dat Rome ooit bedreigd had - sinds Catilina natuurlijk.

De filippica's tegen Antonius betekenden Cicero's einde. De opportunistische Octavianus sloot eind 43 een verbond met Antonius en offerde Romes grootste redenaar aan de wraakzucht van zijn aartsvijand op. In opdracht van Antonius werd Cicero op 7 december vermoord. Zijn afgehakte hoofd werd, samen met de handen die de Philippicae hadden geschreven, vastgespijkerd aan het sprekerspodium op het Forum - als ironische illustratie van zijn eigen woorden in de vierde Catilinarische redevoering: “Een moedig mens kan geen smadelijke, een oud-consul geen ontijdige, een wijs mens geen ellendige dood overkomen.”