Is Joost nu boos?

Hij heeft drie sterren in de Guide Michelin en staat in de nieuwe Dikke van Dale omschreven als “gordel (4) van grachten, m.n.m.betr.t. het geheel van de Amsterdamse grachten”. De Grachtengordel, dus.

Daar wordt verschillend over geoordeeld. De dichter Bart Chabot spreekt over “het wereldje van de intellectuele ballekluivers”, waar hij niets, helemaal niets mee te maken wil hebben. De schrijver-cineast Theo van Gogh zegt daarentegen: “Wat lullen de mensen toch over die grachtengordel? Daar wonen de interessantste en meest creatieve mensen van heel Nederland!”

Het Amsterdamse dagblad Het Parool heeft onlangs de complete grachtengordel in kaart gebracht. Wie praat met wie? En wanneer? En waarover? En wat zijn de café's waar zij zich onbeteugeld vol laten lopen? In het journalistencafé Scheltema, zo blijkt, komen allang geen journalisten meer. Die gaan naar café De Zwart. In het Literaire Café De Engelbewaarder is al zijn leven nog geen schrijver gesignaleerd. Die hokken samen in Harries Bar en Arti et Amicitiae. En omdat journalisten alleen maar over journalistiek praten en schrijvers alleen maar over literatùùùùr (ik citeer de principieel insulaire Jan Wolkers) leidt dit tot aanwijsbaar veel inteelt en kletsmeierij. Ik concludeer dit uit de tweede hand, want ik heb wel wat beters te doen dan mij in De Peis, De Pieper, Het Hoekje of Het Molenpad bewusteloos te drinken, zodat ik tot mijn ongenoegen twee keer in voornoemde catalogus ben genoemd. Wel, het eerste café heb ik al zeker in vier jaar niet betreden en in het tweede café kom ik eens per twee maanden om een gehaktbal te eten, wat mij een verwaarloosbare bijdrage tot het grachtengordelgebeuren lijkt.

Binnen de grachtengordel worden de recensies voorgekookt en op voorhand de literaire prijzen uitgedeeld, zegt men even buiten de grachtengordel.

Niettemin, zo constateer ik, leiden die inteelt en kletsmeierij van tijd tot tijd tot vermakelijke lectuur. Zie de roman De Grachtengordel van Geerten Meijsing, waarin werkelijk de complete hoofdstedelijke bohème wordt afgeschoten. “Al die grachtengordelnieuwtjes, ik gruw ervan”, zegt de auteur in De Spiegel/Grachtenpost. Meijsing lijkt mij zo goed geïnformeerd dat hij zelf, of hij het leuk vindt of niet, geruime tijd een vitaal onderdeel van dit mondaine circuit moet zijn geweest, hoe hautain hij inmiddels vanuit den vreemde ook over Joost Bierman, Jeroen Jonkers en Judith Cohen moge oordelen. Het zijn amusante, licht-venijnige portretten die Meijsing schildert. De enige die er goed vanaf komt is Leo de Wolff, een man met “elegantie en geest”, “een waarachtige eruditie en een evenwichtige minachting voor geld en fatsoen”.

Het is zijn uitgever.

Een boek over de grachtengordel leidt onvermijdelijk tot geroezemoes binnen de grachtengordel, is Joost nu boos? Hoe beledigd is Jeroen? Wil Judith iets met de schrijver te maken hebben? Ik sympathiseer op voorhand met Meijsings kruistocht tegen de "laffe pennefluiters', maar ik vraag mij in gemoede af welke lezer buiten de grachtengordel, in Delft hetzij Ossenzeil, lezers die zich niets aan de luimen van Joost en Judith gelegen laten liggen, zin heeft om die driehonderdzevenenveertig pagina's door te ploegen. Het is de negatieve zijde van de sleutelroman: als je van de geportretteerde slechts een enkeling herkent voel je je per definitie een suffe, slecht- geïnformeerde buitenstaander. Ik probeer werkelijk zonder dédain over de vaderlandse letteren te oordelen, maar een boek dat alleen maar over de Nederlandse literatùùùùr gaat heeft voornamelijk anekdotische waarde. Zo'n boek als Joost Zwagermans Gimmick (1989) bijvoorbeeld is werkelijk veel dramatischer, want dat gaat niet zozeer over literaùùùùr als over de weerzinwekkende wijze waarop er binnen de grachtengordel gezopen, gespoten, gesnoven en gehoereerd wordt.

Net zoals een boek als Guus Vleugels Een Valse Nicht (1985) de dorpsheld van de grachtengordel ontstijgt door de beklemmende beschrijving van de verschrikkelijke eenzaamheid van de homoscene, met zijn anonieme seks en zijn principiële promiscuïteit.

De allerbeste grachtengordelroman is en blijft naar mijn arbitraire mening W.A. Paaps Vincent Haman (1898), een prachtig portret van het Amsterdam op het kruispunt van de negentiende en twintigste eeuw benevens een genadeloze afrekening met de geparfumeerde literatuurkneders rond het maandblad De Nieuwe Gids. Het boek heeft na bijna honderd jaar niets van zijn frisheid verloren, terwijl van Geerten Meijsings De Grachtengordel te vrezen valt dat het al bij de eerstkomende voorjaarsaanbieding een verouderde indruk zal maken.