Het ongehoorde is nog net te horen; Jean Pierre Rawie over de onomkeerbare tijd

Jean Pierre Rawie: Onmogelijk geluk. Uitg. Bert Bakker. 68 blz. Prijs ƒ 29,90.

Vroeger was de kwestie: is hij een plezierdichter of niet? Toen ging hij bijna dood. Daarna begon hij andere gedichten te schrijven. En nu is de kwestie: is hij onze nieuwe J.C. Bloem of niet? Ziehier, in het kort, de dichterlijke loopbaan van Jean Pierre Rawie tot nu toe. Hij begon in de jaren zeventig met het schrijven van vormvaste verzen over liefde, drank en de dood. Hij was nog maar 36 jaar toen hij zijn verzameld werk liet verschijnen: zijn eerste drie bundels in één band, onder de leuke titel Oude gedichten (1987). Meteen daarna moest hij in een ziekenhuis worden opgenomen met een acute pancreatitis, een door intensief alcoholgebruik vernielde alvleesklier. Hij leefde drie maanden op de rand van de dood, maar werd door een medisch wonder gered. Zijn bundel Woelig stof (1989) droeg er de sporen van: de ironie had plaats gemaakt voor een serieuze inslag. De toon was nog steeds somber, maar werd hier en daar getemperd door een nieuw gevoel van verbazing en verwondering, even monter als onthecht: ”Ik ondervond het sterven aan den lijve, / in dagelijkse omgang met de dood; / ik leef nog; en ik kan er idioot / genoeg niets dieps of zinnigs over schrijven.' Rawie was een klassiek dichter geworden die zijn klassieke verzen opgenomen wilde zien in een klassiek verband: niet in het fonds van Cees Aarts, maar in de grote traditie van de Zuideuropese barok. Naast zijn eigen gedichten nam hij vertalingen op van geestverwante sonnettenschrijvers als Lus Vaz de Camoens, Lupercio Leonardo de Argensola en Tomás de Iriarte.

Hadden Rawies gedichten ook honderd of driehonderd jaar geleden geschreven kunnen worden? Zagen ze er alleen maar quasi ouderwets uit? Of was Rawie er toch in geslaagd modern-klassieke gedichten te schrijven? Het was en is moeilijk te zeggen en het verschilt ook nogal per gedicht - dat is nu juist wat zijn postpancreatitische poëzie zo bijzonder maakt. Zij kan voor volkomen traditioneel versleten worden, maar even goed voor een gedurfd experiment. Zelf lijkt de dichter het liefst in verre eeuwen te verwijlen. In het eerste gedicht uit zijn nieuwe bundel Onmogelijk geluk staan deze eenzame regels: ”Bij wie is wat ik liefheb nog in trek? / Het meeste is al eeuwen uit de mode.' Eén telefoontje naar zijn uitgever had hem uitsluitsel kunnen geven: bij minstens elfduizend lezers was wat hij liefheeft in trek, want zoveel exemplaren werden er van Woelig stof verkocht. En ter geruststelling van de dichter kan hier meteen aan toegevoegd worden dat zijn eeuwenoude poëzie nog steeds in de mode is: de eerste druk van Onmogelijk geluk, oplage tweeduizend exemplaren, was binnen een week uitverkocht. Verwonderlijk is dat niet, want er zijn nauwelijks verschillen met zijn voorganger. Naar grote variatie streeft Rawie niet, eerder naar veel variaties op wat steeds meer zijn ene thema wordt: de onachterhaalbaarheid van de tijd. Dat wordt in telkens licht wisselende bewoordingen bezongen, in technisch volmaakte gedichten zonder moeilijkdoenerij. Zoveel opoffering aan voorschriften, aan overgeleverde harmonieuze vormen dwingt respect af. Het klinkt misschien vreemd, maar waar alles zo aan de vorm ondergeschikt is gemaakt, aan welluidende rijmen en rustig kabbelende regels, kan alle aandacht zich juist richten op de inhoud. En dan zal het wel eenvoudig een kwestie van smaak zijn of je door Rawies verzen geroerd wordt of niet. Mij viel het eerlijk gezegd niet mee, al die grote woorden, ouwelijke wendingen en al te algemene beweringen die zich keurig rond de rijmwoorden voegen tot bombastische en licht potsierlijke regels als de volgende: ”steeds voel ik de vervoering in mij varen / wanneer de trein bij avondval vertrekt.' Of deze Holstiaanse strofe, uit hetzelfde gedicht: ”Maar niets van wat met goddelijk geduld / op het bestaan bevochten werd hield stand / in alle jaren die mij zijn ontvlogen'. Voor dit soort gedichten blijkt hardoplezen funest: dan wordt een vervelende dreun hoorbaar en treedt ook de rijmelarijkant meer op de voorgrond. Er moeten nogal wat stoplappen aan te pas komen om de regels rond te krijgen en wel erg vaak neemt Rawie zijn toevlucht tot een leuk paradoxje of woordspelinkje om het gedicht van wat sjeu te voorzien. Dus dan is men weer eens stilzwijgend in gesprek of vergeet men wat men al die jaren niet vergat, terwijl er elders zaken zijn die onverrichter zake zijn verricht. Het gewone doen wordt ongewoon, het ongehoorde is nog net te horen, men ziet in den blinde, en natuurlijk blijven uiteindelijk ook hier de onuitsprekelijke dingen weer ongezegd.

Wat Rawie in Onmogelijk geluk laat zien is knap allemaal, maar ook saai. Het is alsof hij, na de voor de poorten van de hel weggesleepte verzen uit Woelig stof, eerst zijn winst wilde consolideren. Er zijn maar weinig gedichten waarin hij zich los weet te zingen van zijn routine. Misschien is het niet toevallig dat ze betrekking hebben op aangrijpende gebeurtenissen, aangrijpender dan de komst van de winter of de zoveelste treinreis over een bekend traject. Zo zijn er drie indrukwekkende gedichten rond de dood van zijn vader. In ”Sindsdien' vertelt Rawie hoe zijn vader stierf toen hij even de sterfkamer had verlaten. ”Hij is mij toch nog ongemerkt ontgleden', schrijft hij enigszins onthutst in de eerste regel. Het bezorgt hem een gevoel van schuld dat in de laatste regels een verrassende tegenhanger krijgt:

Zo heeft zich op het eind mijn vaders

dood

gevoegd bij de voldongen

misverstanden,

als iets waar ik alsnog te kort in

schoot.

Maar sinds hij mij ontviel, ervaar ik

hem

steeds vaker in gebaren van mijn

handen,

en hoor hem spreken door mijn eigen

stem.

Verbazing en verwarring, troost en ontroering worden hier mooi gevangen en mooi bewaard, in gewone en volkomen heldere woorden. Zo'n gedicht bewijst nog weer eens het raadsel van de poëzie die over grote thema's wil gaan en het toont onbedoeld het manco aan van veel van de poëzie van Rawie: het algemene wordt zelden bijzonder, maar het dichtbije, actuele en persoonlijke wordt soms vanzelf klassiek.