"Geintjes maken leven in het oerwoud draaglijker'; Mariniers introduceren tuinkabouters in Cambodja

SOK SANN, 11 SEPT. Toen de Nederlandse Bravo-compagnie in juni vanuit Thailand in het oerwoud, twintig kilometer van de grens, in het zuiden van Cambodja werd afgezet, had zij drie vijanden in het dichtbegroeide bos van Sok Sann. Van achter en van opzij de Witte Khmer, ogenschijnlijk een wat gemoedelijk type vijand. Vóór zich het hoofdkwartier van de Rode Khmer op enkele kilometers afstand. En linksvoor, op een heuvel, een tijger. De laatste blijft op zijn post en laat zich niet zien. De Witte Khmer is nu voor het grootste gedeelte ontwapend en helpt mee aan het bouwen van houten hutten voor de Nederlandse mariniers. De Rode Khmer daarentegen wil van geen wijken weten. Een bruggetje bouwen voor de lokale bevolking, dat mag nog, maar hun terrein komt de Nederlandse compagnie niet in.

Nadat de 140 mannen van de Bravo-compagnie van het tweede mariniersbataljon waren gearriveerd, werd er met bulldozers eerst een stukje bos platgelegd. Daar sloegen de mariniers hun tenten op, maar na de waarschuwing dat enige weken later tijdens de moesson zes meter water naar beneden zou komen, begonnen zij vrijwel direct aan de bouw van een semi-permanent dorp. Intussen gingen de patrouilles in het veld door en verzamelden zij in enkele weken tijd bijna een miljoen patronen, granaten en raketten en een kleine tweeduizend wapens. In grote houten kisten, begraven in de grond, liggen de wapens opgeslagen. Aan de ene kant M16's uit Amerika en aan de andere kant van het schot Russische en Chinese en Vietnamese wapens, als was de wereld nog ordentelijk verdeeld.

De wapens roesten en commandant P. Grootendorst zegt: “Ik heb geen behoefte om onderhoud te plegen. Ik zou graag willen dat UNTAC (het VN-hoofdkwartier) het spul kwam ophalen. Maar de molens van de VN malen uiterst langzaam. We willen voorkomen dat al die wapens straks gebruikt worden door kleine bendes die de lokale bevolking afpersen en overal barrières op de wegen aanbrengen om tol te heffen en handelswaar af te pakken. Dat mag niet de bedoeling zijn.”

Pel Noeun, kolonel van de Witte Khmer, is het met hem eens. Verloren loopt hij als liaison in een nieuw gevechtspak tussen de stafofficieren van de Bravo-compagnie. “Zeventien jaar heb ik hier gevochten. Samen met de Rode Khmer hebben we hier de Vietnamezen verslagen. Samen vochten we tegen het corrupte regime in Phnom Pen.”

Neen, van massamoorden tegen de lokale bevolking herinnert hij zich niets. En al was dat zo, nu gaat erom vrede te bereiken. “Straks, als de Nederlanders weg zijn, beginnen we in ieder geval met een mooi nieuw dorp. Kijkt u maar. Ik zou hier best burgemeester willen worden. Dan neem ik de hut van uw overste.”

In Medisch Centrum Oost, de ziekenboeg, verzorgt de arts van de mariniers soldatenfamilies van de Witte Khmer. Veel malaria en longontsteking. Soms worden de patiënten afgevoerd met een rammelende Russische helikopter naar het veldhospitaal van de mariniers in Phum Nimit, waar operaties kunnen worden uitgevoerd en ledematen afgezet. “De Rode Khmer zegt in haar propaganda aan de lokale bevolking dat wij de grens met Thailand zullen sluiten en voedsel en medicijnen dan niet meer in Cambodja komen. Via deze medische verzorging proberen we de bevolking te overtuigen dat dat niet ons doel is”, zegt Grootendorst.

Hij is van mening dat de Rode Khmer heel voorzichtig op een laag niveau aftast wat de VN hier voor ogen staat. Uit de ontmoetingen van de laatste dagen wordt hem duidelijk dat de Rode Khmer niet alleen op landelijk niveau in een regeringscoalitie wil zitten, maar ook mee wil beslissen op lokaal en districtsniveau in het gehele land. Zij vragen Grootendorst om zijn opinie. Zijn antwoorden zijn kort en voorzichtig.

In een van de kleine "snowmobiles', die door Noorwegen zijn aangeschaft maar ook hier goed werk doen, rijdt minister Ter Beek hoog te paard. Hij leunt voorover uit het open dak. Steil gaat het naar beneden en als vlak bij de nieuwe loopbrug die de mariniers hebben aangelegd, een paar Rode-Khmersoldaten langs de weg staan, gaat hij ze begroeten. “How are you. How is Pol Pot?” Op beide vragen volgt alleen verlegenheid. De handgranaten bungelen losjes aan hun strakke uniform. De Hollandse invasie is hun te machtig en samen met een paar Witte-Khmersoldaten verdwijnen ze weer in het bos.

Terug in het kamp na de korte rit door de blubber zegt geweergroepsleider sergeant-majoor René van Laarhoven uit Den Helder: “We moeten oppassen dat we straks niet alleen tegen de bomen aan praten. We hebben de eerste maanden hier prima werk gedaan en veel verzet. Nu zijn de meeste jongens terug van twee weken verlof. Bijna iedereen ging naar Nederland. Dat werd niet betaald. Maar als we op onze luie rug gingen liggen in Singapore of aan een strandje in Thailand, dan kreeg je alles betaald. Dat kan natuurlijk niet.”

Hij hoopt dat zijn geweergroep straks op patrouille mag in het gebied van de laatste vijand, de Rode Khmer. “Dan pakken wij die tijger ook nog wel effe mee. Maar je moet hier aan de slag blijven, anders ga je dood, van verveling dan.”

Als welkom voor minister Ter Beek heeft hij met zijn peloton een windmolen gemaakt van meer dan twee meter hoog en van verlof hebben hij en zijn mannen 25 tuinkabouters uit Nederland meegebracht. Een spotje indirecte verlichting en wat jonge bananenplanten eromheen en het tuintje was klaar. Maar de leiding van het kamp liet het perkje gisteren afbreken. De kabouters moesten in vuilniszakken worden verstopt, want de minister mocht geen verkeerde indruk krijgen van de Bravo-compagnie. Van Laarhoven: “Ik begrijp die leiding wel. 't Combineert niet goed met al het wapentuig dat we in beslag hebben genomen. Maar ja, ziet zoveel ellende om je heen.”

De Bravo-compagnie heeft nog voor twee dagen verse rantsoenen. De weg naar de Thaise grens is een modderpoel en de Russische helikopters komen wanneer het de bemanning uitkomt. Er zijn noodrantsoenen en met de snowmobiles kan je door het hoge water van de rivier komen.

In de hoek van het kamp oefent het mortierpeloton. Door het bouwen van huizen is hun training wat achteropgeraakt. “Dat kunnen we ons niet permitteren”, zegt de commandant. “Per slot van rekening zit de Rode Khmer zo vlakbij dat zij hun pijpen maar rechtop hoeven te zetten om ons te raken. We weten precies onder welke hoek zij het dubbel en dwars terug kunnen krijgen. Misschien wagen zij het daarom niet.”