De tovenaarsleerlingen van het Theaterfestival

De deskundigen van het Theaterfestival vonden de prestaties van toneelspelersgezelschap Stan bijzonder genoeg om twee voorstellingen van deze groep te programmeren, de erejury dacht er anders over, evenals onze toneelredacteur: “De acteurs spelen dat ze spelen, stappen naar believen in en uit hun rollen, hebben giechelige onderonsjes, lezen hun tekst op uit het script.” Is dat avant-garde, durf en experiment of is het onkunde en gebrek aan inspiratie?

Erg enthousiast kan men de erejury die ter afsluiting van het jaarlijkse Theaterfestival de beste produktie van het afgelopen seizoen aanwees, niet noemen. In plaats van bekend te maken van welke produktie zij het meest genoten hadden, somden de drie museumdirecteuren voorstellingen op waarvoor zij "in afnemende mate' waardering hadden gehad. Stuk zonder titel van Tsjechov door Studio's Onafhankelijk Toneel in de regie van Mirjam Koen stond bovenaan, Ivanov door Stan in samenwerking met Maatschappij Discordia eindigde als negende en laatste.

Ik ben het wel eens met de heren, de eerste en de laatste voorstelling op hun lijstje zijn inderdaad uitersten. Daar tussenin bevinden zich niet per se de interessantste produkties van het afgelopen seizoen (zoals het Festival beoogt te programmeren) maar de voorkeur van een kleine groep deskundigen, die voor een verrassing heeft willen zorgen. Die verrassing was niet steeds aangenaam: na alle voorstellingen (opnieuw) gezien te hebben denk ik dat hooguit drie het waard waren in het festival te worden opgenomen.

Van twee voorstellingen is het zelfs onvergeeflijk dat zij geprogrammeerd werden. Wat was de overweging van de jury om het onooglijke groepje Stan uit te nodigen? Dat het Vlaams is? Ik zou willen dat het zo politiek lag en dat hun herkomst de doorslag heeft gegeven, maar ik vrees dat hun aanwezigheid andere oorzaken heeft. Het zichzelf aanstellerig "toneelspelersgezelschap' noemende Stan heeft twee voorstellingen in het festival mogen tonen: Tsjechovs Ivanov en een korte performance met de titel Het is nieuwe maan en het wordt aanzienlijk frisser.

Dat de eerste voorstelling de minste waardering van de erejury kreeg, is een schrale troost. De uitverkiezing van Stan is het gevolg van een misverstand. Het misverstand dat als inspiratieloosheid, onkunde, gebrek aan vakmanschap en amateurisme maar demonstratief genoeg vertoond worden, ze vanzelf in uitmuntende kwaliteiten veranderen. Je zou moeten kunnen volstaan met de constatering dat het zo niet zit en dat gebreken gebreken zijn, maar zo eenvoudig ligt het niet.

Het is nieuwe maan is een uit tekstflarden van George Büchner bestaande bijna-monoloog van Frank Vercruyssen, die zichzelf halverwege onderbreekt met de mededeling dat hij "af en toe de behoefte (heeft) om heel hard te schreeuwen'. In de door juryleden volgeschreven Festivalkrant wordt dat moment "een hoogtepunt' genoemd. De "hoogst eigenzinnige schreeuw' (de Festivalkrant) Nieuwe Maan is de uiting van een soort schijnwoede over de ellende in de wereld: na de monoloog volgt een oorverdovende geluidscollage van rockmuziek en CNN-berichtgeving over de Golfoorlog. Ik geloofde geen moment in de oprechtheid van Vercruyssen en het ergste is dat ik het vermoeden heb dat hem dat volstrekt koud laat.

Maar werkelijk exemplarisch is Ivanov. Deze voorstelling illustreert het misverstand het beste. De mythe dat onkunde een verdienste is, is in het leven geroepen door het gezelschap Maatschappij Discordia. Stan is niet meer dan een epigoontje, het treurige resultaat van een al ruim tien jaar durende verdwazing. Want zolang al tooien Discordia-leider Jan Joris Lamers en zijn geestverwanten zich met de nieuwe kleren van de keizer en zolang al staat er juichend volk langs de kant. Dat hardnekkig ziet wat er niet is: avant garde-kunst, vormexperiment en zin voor avontuur.

In Ivanov zien we een stoffig, zwaar doek dat enkele malen open en dicht gaat en dat betekent dat er weer eens toneel over toneel getoond wordt. Het mechaniek stagneert zo nu en dan, daar wordt lacherig over gedaan. De acteurs komen veelal aan weerszijden op en blijven dan uiterst links of rechts staan. Ze roepen teksten over en weer, verdwijnen, komen terug en roepen nog een enkel zinnetje. Er zijn loopjes, er ontstaat warempel een soort mise-en-scène. Halverwege de voorstelling kondigt een actrice - hakkelend - een changement aan. Vanachter het doek stijgt een hels kabaal op en daarna wordt de toeschouwer een blik vergund op stellages vol flessen en geweren en een tiental op elkaar gestapelde barkrukken.

Omdat ik het stuk ken, begrijp ik van sommige acteurs welke rol zij spelen, van andere desondanks niet. Het decor roept geen enkele gedachte op en het verhaal is niet te volgen. De handeling wordt nooit geïllustreerd - dat wil zeggen: ze wordt bij voorkeur geïllustreerd met het tegendeel. Gekaart bij voorbeeld wordt er uitsluitend in de tekst (“Ik pas!”) en niet alleen doet men niet alsof men kaart, nee, men doet juist nadrukkelijk alles behalve kaarten. Hetzelfde geldt voor haring eten: “Heerlijke haring!” zegt de acteur, terwijl hij zijn jas dichtknoopt of zijn haar kamt of zijn veters strikt of in zijn neus peutert. En van degene tegen wie men het woord richt, wendt men zich af. Het Discordia-devies luidt immers: geen illusie scheppen. En daarom komt bij voorbeeld ook die actrice opzettelijk hakkelend het changement aankondigen. Zij houdt dan op actrice te zijn en wordt een kwetsbaar mens.

Voor wie ziende blind is, althans. De Brechtiaanse vervreemding is bij Discordia en epigonen verhaspeld tot een alles overheersende en stijlbepalende truc. De acteurs spelen dat ze spelen, stappen naar believen in en uit hun rollen, hebben giechelige onderonsjes, lezen hun tekst op uit het script. Of trekken krakende schoenen aan, zoals Damiaan De Schrijver als de titelheld Ivanov in de voorstelling van Stan. Hij hoeft zijn pink maar te lichten of er stijgt een oorverdovend lawaai op uit zijn schoenen en onderwijl lepelt hij monotoon zijn onverstaanbare tekst op. En die onverstaanbaarheid is geen toeval, die is opzet. Die is kenmerk van deze stijl.

Weg ermee. Weg met Discordia, weg met Stan. Weg met de lapzwanzen, de klaplopers en tovenaarsleerlingen die denken dat hun loutere aanwezigheid, hun radiante persoonlijkheid, podium- en avondvullende dimensies heeft. Weg met dat zogenaamde experiment dat niet anders is dan willekeur, dan een ouderwetse, studentikoze, talent- en fantasieloze dada-grap, dan pseudo-kunstzinnige machteloosheid, dan voorspelbaarheid en gebrek aan ontwikkeling, dan voor intellectualisme versleten botheid.

Die spelers van Stan, ik vind ze zonder uitzondering gevoelloze, verwaten koppen hebben - en dat strikt particuliere oordeel is hier vreemd genoeg op zijn plaats. De hele voorstelling drijft op de arrogantie die ik in hun blik waarneem: het is de blik van de koopman die zijn klant grotelijks belazert. Ik haat deze Ivanov, en ik haat de jury die het toneel op deze wijze verkwanselt en het toneelpubliek wegjaagt.

Het interessante van dit Theaterfestival was dat het ook nog een glimp bood van de oorsprong van de tot lamlendigheid verworden Discordia-stijl. Groots, meeslepend en onvergetelijk theater was het niet, maar dat Stuk zonder titel (Tsjechovs Platonov) van Studio's Onafhankelijk Toneel, ooit opgericht door Discordia-goeroe Jan Joris Lamers, de eerste plaats werd toegekend, is niet onrechtvaardig. De stijl van OT en van regisseur Mirjam Koen is in bepaalde opzichten vergelijkbaar met die van Discordia (de soms bijna terloopse tekstbehandeling bij voorbeeld en het zichtbare en verfrissende gebrek aan ontzag voor de klassieken) maar de mentaliteit van de groep is heel anders.

Uit de OT-voorstelling spreekt, los van stijl of richting, de wil het publiek te verleiden en mee te voeren. Daarom kijkt de toeschouwer vier uur lang min of meer geboeid naar een stuk dat niet bepaald een voorbeeld is van gedegen toneelschrijfkunst. Dat het karakter van Platonov zich wat al te schoksgewijs ontwikkelt, is geen belemmering omdat zijn vertolker, Bert Luppes, zo gedreven is en ten minste de indruk maakt over zijn rol te hebben nagedacht en die misschien zelfs wel te hebben begrepen. Door hem, Ria Eimers en Joke Tjalsma (die met iedere nieuwe rol een grotere actrice wordt) realiseerde ik me goddank weer dat theater ook nog iets anders kan zijn dan een strafexpeditie. Het kan begeesteren en enthousiast maken of woedend, zoals Liefhebber van Toneelgroep Amsterdam vorig seizoen deed. Dat de jury die voorstelling buiten het Festival heeft gehouden, begreep ik pas toen ik hun lieveling Stan zag.

    • Pieter Kottman