De graven van de honger raken overvol

GODE, 11 SEPT. Graven, overal graven. De 53-jarige Nor Mohamed Aden wijst over de zinderende vlakte. “Daar, waar die bomen staan, daar begroeven we onze slachtoffers”, vertelt hij. “Maar we raakten uitgeput door de honger, we kunnen zo'n afstand nu niet meer lopen.” De dagelijkse slachtoffers in het vluchtelingenkamp Bohelagare worden daarom begraven tussen de onderkomens van lappen en repen plastic. Rondom de termietenheuvels bijvoorbeeld, want daar is de grond zachter. Om de heuvels liggen de hoopjes stenen die de graven afdekken tegen de woedende wind van de savanne.

Xabaalo gaajo, de graven van de honger, noemen de Somalische ontheemden de rustplaats van hun doden. In en om het stadje Gode in Zuidoost-Ethiopië in de Ogaden houden ruim 35.000 slachtoffers van de Somalische burgeroorlog zich op. Hun omstandigheden verschillen nauwelijks van die van hun lotgenoten in Somalië zelf of die van Somalische vluchtelingen in Noord-Kenia. Dagelijks sterven er bij Gode ongeveer 60 mensen door de honger. Het aantal ondervoeden ligt omstreeks de 40 procent. De hongerdood is voor iedere familie een dagelijks verschijnsel geworden.

Het verschil met Somalië en Noord-Kenia is dat in deze landen sinds kort massaal voedselhulp arriveert. Dat is niet het geval in Zuidoost-Ethiopië, althans niet in voldoende mate. Rondom Gode werkt alleen de Belgische tak van Artsen zonder grenzen en de Ethiopische hulporganisatie RRC. De grote hulporganisaties lijken moe van het grote aantal hulpbehoeftigen in Ethiopië. Het Hoge Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), de meest aangewezen organisatie om de slachtoffers te helpen, is niet aanwezig in Gode. “De VN zijn het probleem van de ontheemden in de Hoorn van Afrika beu”, concludeert een hulpverlener van een kleinere hulpinstelling.

Hoewel er nog steeds vluchtelingen uit Somalië arriveren, kwam het overgrote deel van de kampbevolking rondom Gode al ruim een jaar geleden. Velen van hen zijn teruggekeerde vluchtelingen, etnische Somaliërs met de Ethiopische nationaliteit die omstreeks 1977 uitweken naar Somalië wegens de oorlog tussen beide landen. In de Ogaden verblijven 450.000 teruggekeerde Ethiopische vluchtelingen, 400.000 vluchtelingen uit Noord-Somalië en een geschatte 240.000 nieuwe vluchtelingen uit Zuid-Somalië. In de Ogaden regende het al drie jaar niet meer en daarom raken ook steeds meer plaatselijke bewoners in nood. Alle ruim een miljoen hulpbehoeftigen zijn etnische Somaliërs.

De 55-jarige Abdi Mo'alin Ibrahim leefde 14 jaar in een vluchtelingenkamp in Midden-Somalië. “Ik behoor tot de Ogadeni-clan, een subclan van de Darod waartoe ook de verdreven Somalische president Siad Barre behoort”, vertelt hij. “De Hawiye-clan gooide Barres regime omver waarna de Hawiyes wraak begonnen te nemen op alle Darods. Ze omsingelden ons vluchtelingenkamp in Somalië vier maanden lang en beschoten ons met tanks en geweren. Twee van mijn zonen heb ik in Somalië begraven.”

Pag 8: "Ineens moest ik tegen mijn vrienden vechten, gek word ik er van'; "Ik steun niemand meer die wapens draagt want wij Somaliërs roeien elkaar uit'

Ibrahim moest opnieuw op de vlucht slaan, terug naar zijn vaderland Ethiopië, waar hij in maart vorig jaar arriveerde. Door honger overleden opnieuw twee van zijn kinderen. De diepe haat tegen zijn Darod-clan kan hij wel een beetje begrijpen. “Maar waarom scheren ze ze alle Darods over een kam? Niet alle Darods steunden Barre. Waarom vermoorden de Hawiyes nu alle Darods, waarom doden ze ook de vrouwen en de kinderen?”

Barre speelde een opportunistisch spel met de Ethiopische vluchtelingen in zijn land. Niet alleen overdreef hij hun aantal om meer buitenlandse hulp te ontvangen, hij gaf enkelen van hen wapens om daarmee met zijn tegenstanders te vechten. Bovendien kregen de vluchtelingen land toegewezen dat behoorde aan de plaatselijke bevolking van de Hawiye-clan. Barre speelde zo de clans tegen elkaar uit. Toen zijn regime eind 1990 desintegreerde namen alle clans vervolgens wraak op de Darods en de Ethiopische vluchtelingen.

De exodus van Somaliërs geschiedt strict gescheiden in clans. Vluchtelingen van strijdende clans houden zich nooit in een en hetzelfde kamp op. Naar Gode trokken vrijwel alleen Darods, velen van hen zijn afkomstig uit Mogadishu.

De 50-jarige vrouw Dahabo Omar Abdi was eens vet en rijk. “Ik bezat een stenen huis, een auto en een televisie. Maar ik ben een Darod en daarom kwamen de Hawiyes in Mogadishu alles plunderen”, vertelt ze. “In de nacht vluchtten we, angstig, van boom naar boom. Weet u, ik ben een stadsmens, ik ben niet gewend aan lange afstanden lopen. Tijdens onze voettocht van 40 dagen vielen Hawiyes ons opnieuw vijf keer aan. Ik bezit nu nog slechts een waterketel. Hier in het vluchtelingenkamp hang ik maar wat rond en probeer te slapen. Ik ben geen nomade, ik ken de bush niet en weet niet hoe hout te sprokkelen en water te halen. Het modderige water valt me te zwaar op de maag en met een half kilo meel per dag kan ik niet rondkomen. We krijgen geen bakolie, geen suiker en geen zeep, alleen meel.”

De Darods betalen de hoogste prijs voor Barres wraakacties tegen andere clans. Nu zij tot de verliezers behoren beseffen ze dat de tegenstellingen tussen clans Somalië ten gronde richten. “Ik steun geen enkele gewapende factie meer”, verzucht een oude vrouw. “Ik steun niemand meer die wapens draagt want wij somaliërs roeien elkaar uit.”

De jonge Mustafa zegt gek te worden van de haat en nijd. “Wij opgeleidde Somaliërs vragen ons af: hoe is het zover gekomen? Mijn vrienden van mijn school, plotseling moest ik tegen ze vechten omdat ze tot een andere clan behoren. Plotseling werd ik met alle Darods in een hokje gestopt en werden we schietschijf. Hoe komt dit ooit weer goed?”

Mustafa wacht even en wil dan toch nog iets gemeens zeggen over de Hawiye. “De Hawiye zijn zeer zwart, wij Darods zijn licht en prachtig. Ja, we vallen direct te herkennen door onze uiterlijke schoonheid en ons dialect.”

Afgaande op de berichten over voedseldistributies in Zuid-Somalië en Noord-Kenia trekken sommige vluchtelingen sinds enkele dagen weg uit Oost-Ethiopië. Maar niet veel, want de plaatsen waar in die landen voedsel wordt uitgedeeld vallen onder controle van andere clans. Ook in nood blijven de Somaliërs elkaar wantrouwen.

Abdi is kampouderling in Bohalagare. “Alle gewapende groepen in Somalië moeten hun wapens op de grond leggen”, betoogt hij. “De buitenwereld moet gewapenderhand ingrijpen en vrede afdwingen. Iedereen in Somalië eist nu de macht voor zichzelf op.”

De rol die de ouderlingen uitoefenden in de samenleving, zij vormden eeuwenlang de belangrijkste autoriteit, ging in het gedonder van kanonnenvuur verloren.” “Als ik nu een delegatie van ouderlingen samenstel om te onderhandelen met een andere clan”, zegt Abdi, “is hun leven niet veilig. De jongeren met de wapens oefenen nu de macht uit in Somalië. Alleeen wanneer wij ouderen ons gezag weer terugkrijgen van de jongeren, bestaat er een kans op vrede.”

Eens bestond er een Somalische natie veel groter dan het land Somalie. De Britse, Italiaanse en Abessijnse kolonisten deelden de Somaliërs in verschillende staten op. De miljoenen etnische Somaliërs in Ethiopie, Kenia en Djibouti delen een taal, een geschiedenis, een cultuur en een religie. Ethiopische Somaliërs in de Ogaden spreken over de invasie in 1977 door Barres regeringsleger als “een mislukte bevrijdingsoorlog”.

De Somalische politieke cultuur en de anarchie van Mogadishu verspreiden zich intussen naar alle door etnische Somaliërs bewoonde gebieden. Het noorden van Kenia is in het afgelopen jaar een wild westen geworden met een overvloed aan wapens, met onderling concurrerende clans en spanningen tussen Somaliërs en andere stammen.

De Ethiopische Ogaden vormt geen uitzondering. Na de val van de Ethiopische president Mengistu in mei 1990 kregen de nieuwe machthebbers uit de hooglanden geen greep op de nomadische Somaliërs in de wilde en droge Ogaden. Eerst raakte het regeringsleger in het noorden van de Ogaden slaags met het Oromo bevrijdingsfront (OLF) dat een deel van het gebied voor de Orom's opeist. Het OLF kreeg in de afgelopen weken enkele stevige nederlagen te verwerken door het regeringsleger en een nieuwe grootschalige burgeroorlog in Ethiopië lijkt daarmee vooralsnog afgewend.

De Somaliërs leverden op hun beurt slag met de Oromo's en ze vechten onderling om controle over lucratieve smokkelroutes. Al het transport in de Ogaden dient plaats te vinden met gewapend escorte, vrijwel al de voedselhulp moet worden ingevlogen. Bovendien vallen gewapende bendes uit Somalië over de ongecontroleerde grens het gebied binnen. Eerder dit jaar verloor bij zo'n aanval een VN-medewerker het leven.

Ethiopische, koptische hooglanders vallen op de savanne van de Ogaden net zo op als vreemdelingen als blanken dat doen. De culturele geschillen leiden gemakkelijk tot fricite met de plaatselijke bevolking. “Wij worden onderdrukt door de elite in Addis Abeba”, zegt Ahmed zelfverzekerd. “Ook de nieuwe machthebbers in Ethiopië gedragen zich als bezetters van het Somalische gebied. Wij moeten vechten voor de onafhankelijkheid van de Ogaden.”

Wanneer de gewapende waanzin in Somalië zelf ooit ten einde wordt gebracht, wachten de Somaliërs nieuwe conflicten in de buurlanden. De strijd zal lang zijn, het probleem van wanhopige ontheemden zal voortduren. Het lot van nog vele Somaliërs zal liggen in de graven van de honger.