De geschiedenis van een blauw adertje; Gyorgy Konrad over vriendschap onder het communisme

György Konrád: Melinda en Dragomán. Vertaald door Peter Masthoff. Uitg. Van Gennep, 331 blz. Prijs ƒ 39,50.

"In ieder geval zitten we hier gehard en opgewekt op het terras van mijn vaders huis,' schrijft György Konrád in het begin van zijn zojuist vertaalde roman Melinda en Dragomán. Gehard en opgewekt, dat is misschien de meest gecomprimeerde omschrijving van Konráds levensfilosofie. Gehard door de tegenslagen in het leven van alledag, vanwege het onvermijdelijke menselijke tekort én vanwege de last van het Hongaarse communisme in zijn nadagen, die op het leven drukt.

Melinda en Dragomán is geschreven als een vervolg op Tuinfeest en vertelt het levensverhaal van de schrijver Kobra - die overeenkomsten vertoont met de auteur zelf -, zijn familie en zijn vrienden. In Tuinfeest werd het verhaal veelal verteld vanuit het perspectief van Kobra, maar in Konráds nieuwe boek wijzigt het vertelperspectief grondig. Kobra komt pas aan het einde van het boek weer aan het woord en Konrád verschuift zijn blik naar een aantal figuren uit zijn vriendenkring, die in Tuinfeest slechts sporadisch optraden. Daarmee verandert de autobiografische aanzet uit Tuinfeest in een biografie van een groep vrienden in het naoorlogse Hongarije. In ieder van die vrienden zet Konrád bijna een soort archetype neer. Zo is daar Melinda, een zelfbewuste vrouw, die getrouwd is met Antal, maar haar recht op een minnaar, Dragomán, vurig verdedigt. Haar behoefte aan een minnaar komt niet voort uit een slecht huwelijk, want haar leven met Antal is goed, maar uit het diepe besef dat het leven veel te rijk is om het met één man door te brengen. Hoofdschuddend en superieur bekijkt ze het getob en gesloof der mannen: "Ik bejegen Dragomán zoals de hogere standen het volk.'

Dragomán is het archetype van de levensgenieter, die de dodelijke ernst van het communistische systeem niet meer uithoudt en in 1966 naar Amerika emigreert. Volgens Melinda hoort hij tot de bedreigde soort der rokkenjagers: "Echte rokkenjagers vind je tegenwoordig bijna niet meer, het is een met uitsterven bedreigde soort, de tijden zijn zo lusteloos.' Haar man Antal is beeldhouwer en maakt films voor de Hongaarse televisie. Hij staat voor de intellectueel, die zich, plichtmatig maar zonder enige illusie, nog net binnen de grenzen van het heersende systeem beweegt, maar buiten zijn werk voornamelijk in oppositionele kringen verkeert. Kobra is de schrijver wiens boeken verboden zijn maar die in zo'n symbiose met Boedapest leeft dat hij er niet over peinst om te emigreren. Hij, Antal en Dragomán zijn sinds de schooltijd gezworen kameraden. Wanneer Dragomán, de wandelende jood "die zijn heil in een toestand van herhaalde plaatsverandering vindt', na zijn emigratie nog eens Boedapest bezoekt en voor het eerst Melinda ontmoet, is de onstuimige verhouding met de vrouw van zijn vriend een feit en staakt hij zijn zwerftochten.

Deze driehoeksverhouding is nagenoeg de enige handeling, die Konrád in het boek laat plaatsvinden. En eigenlijk spelen de amoureuze verwikkelingen slechts een bijrol en worden gebruikt als aanleiding voor het typische Konrád-procédé: het maken van een groepsfoto in schijnbaar losse en onafgeronde fragmenten. Nog veel meer dan in Tuinfeest wisselt Konrád het vertelperspectief, gaat zonder overgang over van verleden naar heden en springt van een pagina met verzamelde levenswijsheden plotseling over naar het levensverhaal van Melinda's nymfomane moeder of naar de stalinistische onderdrukking in het naoorlogse Hongarije. Het lijkt paradoxaal, want in de verhalende fragmenten toont Konrád ook in dit boek dat hij een van de grootste hedendaagse vertellers in de Europese literatuur is. Toch weigert hij de daarbij passende vorm te kiezen van de klassieke verteller die het verhaal vanuit het perspectief van de alwetende auteur keurig van het begin tot het einde vertelt. Door de figuren op de groepsfoto, met al hun passies, hun verleden en hun onhebbelijkheden, vanuit heel verschillende hoeken te belichten schept Konrád een veel scherper beeld dan bij een traditionele vertelwijze zou zijn ontstaan. De vorm van het boek is identiek aan het soort gesprekken dat de vrienden nog altijd, net als in Tuinfeest, voeren op het terras met uitzicht op de tuin: onderwerpen komen op, worden afgekapt door een lange monoloog, dwarrelen weg om pas veel later weer aan de orde te komen. In die vorm steekt de dynamiek van het boek, daarom is er ook aan een handeling in het verhaal geen behoefte. Juist omdat de hoofdfiguren zo statisch zijn is Konrád met zijn enorme vertellerstalent in staat om, net als Rembrandt op zijn schilderijen, haarfijn de geschiedenis van iedere rimpel, glimlach of het blauwe adertje in een drankneus te schilderen.

Flierefluiter

Om zo precies te kunnen schilderen doopt Konrád ook in dit boek voortdurend zijn verfkwast in het verleden. Het verleden speelt in Midden-Europa een heel andere rol dan in West-Europa. In West-Europa vermengt het heden zich onafgebroken met de toekomst, in Midden-Europa daarentegen vermengt het verleden zich altijd met het heden. Zelfs Dragomán, de flierefluiter die altijd in het nu leeft, verzucht: "Wat mij dwarzit, is dat ik de vergetelheid als een soort verraad zie.'

Konrád past in dit boek consequent toe wat hij eerder al in de bundeling van zijn NRC-artikelen Langzame opmerkingen in een snelle tijd opmerkte dat in Midden-Europa de officiële geschiedenis zich altijd zo bruut opdringt aan de de geschiedenis van het individu. Dat gaat zover dat het verleden zich zelfs in de gebouwen vastzuigt. Een prachtig voorbeeld daarvan beschrijft hij aan de hand van de gerenommeerde taartjeswinkel Lukács in Boedapest. Die werd in de oorlog en daarna de hoofdzetel van de staatsveiligheidsdienst: "Aanvankelijk wordt het magazijn de folterkamer van de nationaal-socialisten, dan die van de internationale socialisten en uiteindelijk weer een gewoon magazijn. We kijken naar de huizen en stellen vast hoe bestendig ze zijn, ze overleven de regimes.'

Het is die bestendigheid, temidden van de gevaarlijke onzekerheid van het opgepakt worden in een dictatuur, waarnaar Konrád op zoek is. Dat raakt voor hem zelfs aan de zin van het leven of zoals hij in een ander NRC-stuk schreef: "De zin van het menselijk bestaan ligt in de continuïteit. Je bent de zoon of de dochter van een vorige generatie.' Daarom tekent hij in Tuinfeest en Melinda en Dragomán zo minutieus de lotgevallen van de ouders van de hoofdpersonen op.

Het is die persoonlijke geschiedenis van geboorte, hartstocht, erotiek en dood die ook in dit boek van een doorslaggevender gewicht is dan de brute last van de officiële geschiedenis. Op die manier rekent Konrád af met het beeld van de bijna levenloze, altijd in de rij staande Oosteuropeaan achter het IJzeren Gordijn. Onder dat beeld blijkt het te wemelen van leven.