De eekhoorn en de olifant zaten in het gras aan ...

De eekhoorn en de olifant zaten in het gras aan de oever van de rivier.

Het was zó warm dat de olifant smolt. Een grijs stroompje siepelde door het gras.

Ho, dacht de eekhoorn, hij moet niet in de rivier stromen, want dan weet ik het niet meer.

Hij maakte vlug een dammetje waartegen de olifant aanstroomde. Zacht klotsend lag hij daar onder de brandende zon.

“Waarom is het ook zo warm?” vroeg de eekhoorn zich hardop af.

De olifant leek iets te willen zeggen, maar de eekhoorn kon niets uit zijn gekabbel opmaken. Bovendien had hij het te warm om goed te luisteren. Ik denk, dacht hij, dat hij zich dat ook afvraagt.

Hij ging in de schaduw onder de wilg zitten. Af en toe keek hij even naar de olifant. De zon scheen op zijn kabbelende lijf en de waterjuffer scheerde rakelings over hem heen.

“Weet je wel waar je over heen scheert, waterjuffer?” vroeg de eekhoorn.

“Ja”, zei de waterjuffer. “Over de olifant.” En zij bekeek zichzelf in het grijze water.

Pas tegen de avond werd het wat koeler. De eekhoorn zag hoe het water weer veranderde in een slurf, een romp en een paar oren.

“Hè, hè”, zei de olifant even later. “Wat had ik het warm.”

De laatste druppels veranderden in zijn staart.

Opgelucht sloeg de eekhoorn hem op zijn schouder.

“Hoorde je me klotsen, eekhoorn?” vroeg de olifant.

“Ja”, zei de eekhoorn.

“Dat was eigenlijk trompetteren. Ik trompetterde een liedje. Leek het niet een beetje?”

“Ja”, zei de eekhoorn. “Een beetje leek het wel.”

“Het is heel moeilijk om te trompetteren als je gesmolten bent”, zei de olifant.

Dat wilde de eekhoorn graag geloven.

De zon ging onder. In de verte zong de lijster. Langzaam liepen zij naar huis.