De ambtenarenvoliere

Midden in de deprimerende stadswildernis achter het Centraal Station in Den Haag bouwde Jan Hoogstad een nieuw onderkomen voor het ministerie van VROM. Het gebouw moest milieuvriendelijk zijn en het verkeerslawaai mocht nergens binnendringen, maar alle ambtenaren wilden hun raam open kunnen doen. Hoogstad ontwierp een transparante silo met acht grote serres, waarin een sprookjesachtige atmosfeer heerst. “Uit zijn nieuwe werkkamer kijkt de ambtenaar naar de stad als naar Panorama Mesdag.”

Eigenlijk zou er een wet op de architectuurkritiek moeten komen die verbiedt dat er over gebouwen van onder de vijf jaar wordt geschreven. Na vijf jaar zijn de meeste materialen hun babyhuidje kwijtgeraakt. Ze hebben de kans gekregen om te verweren en te oxyderen zodat ze de door de ontwerper beoogde kleuren en tonen hebben bereikt. Na vijf jaar mag de architect zich niet meer verschuilen achter eventuele kinderziektes van zijn gebouw. Bovendien heeft de directe omgeving ruim de tijd gehad om zich aan te passen aan de nieuwe verschijning en om te herstellen van de verwoestingen in brede kring waarmee bouwprocessen altijd gepaard gaan. En tenslotte: alle beplanting is aan de ieligheid van het eerste uur ontstegen. Vooral dat laatste is van groot belang voor een juiste algehele beoordeling van de architectuur van een gebouw en de wijze waarop het in de omgeving staat.

Een toevallige ontmoeting op het bordes van het waardige Academiegebouw in Groningen deed me beseffen hoe eigenaardig het is dat de journalistieke primeurjacht zich ook zo fanatiek van de architectuurbeoordeling heeft meester gemaakt. Op het bordes had een architectuurfotograaf zijn apparatuur opgesteld, om de tegenoverliggende nieuwbouw van de Openbare Bibliotheek naar ontwerp van de Italiaanse architect Giorgio Grassi te fotograferen. Zijn camera stond in schuine stand op het statief omdat een grote, groene schutting niet in beeld mocht komen. Achter de schutting verborg zich een nog onvoltooid tuindeel van Grassi's baksteenschepping. Het tijdschrift waarvoor de foto's waren bestemd, kon niet wachten met publikatie van het definitieve oordeel over het nieuwe gebouw - voorspelde levensduur honderd jaar - tot de laatste drempel was gelegd. Vervelend genoeg was een ander tijdschrift al eerder geweest. De zon kwam tevoorschijn. De fotograaf keek door de zoeker, verstelde de camerastand nog een paar millimeter zodat niet alleen de groene schutting, maar aan de andere kant ook een paar slordige bouwhekken en een stapel bakstenen buiten beeld bleven en drukte af. De illusie van een voltooid gebouw in een voltooide omgeving was gewekt.

Zolang de vijf-jarenwet niet van kracht wordt, is elke beoordeling van een bouwwerk dat de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt, een voorlopige beoordeling. Dat geldt ook en vooral voor het nieuwe ministeriegebouw van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in Den Haag.

Gelukkig heeft Jan Hoogstad, de architect van het VROM-gebouw, zich van de omgeving niets aangetrokken. Geheel onafhankelijk van de resterende bebouwing in dit ogenschijnlijk door een ramp getroffen gebied waar alle schalen en maten door elkaar rammelen, met het karakterloze Centraal Station, de monotone, deprimerende woningbouw van Carel Weeber die niet voor niets de Zwarte Madonna wordt genoemd en, wat verderop, de vroegoude kantoortorens van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, is Hoogstad zijn eigen gang gegaan. De problemen veroorzaakt door het rechthoekige terrein, omzoomd en doorsneden door auto- en tramwegen, en door de omvang van het gebouw - onderdak voor drieduizend ambtenaren - waren al groot genoeg. Daarbij kwamen de bijzondere eisen die werden gesteld omdat het een departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betrof en niet een ministerie van, bijvoorbeeld, Buitenlandse Zaken. Het gebouw moest een milieuvriendelijk, energie-arm en technisch-innovatief karakter krijgen. Bovendien mocht het hier bovenmatige verkeerslawaai nergens binnendringen, terwijl de ambtenaren van VROM, van bode tot minister, uitdrukkelijk hadden geëist de ramen open te kunnen zetten.

Hoekstaketsels

Het VROM-gebouw begon voor mij te bestaan op de dag dat ik, rijdende over de Koningskade langs het Malieveld, plotseling de bovenste helft van de gesloten, witte zijgevel met de donkere T-figuur en de hoekstaketsels ontwaarde. Een nieuwe verschijning in de skyline achter het Centraal Station. Ik herkende de gevel met de kooischreven aan de kapitale T van tekeningen en maquettefoto's, maar dat het gebouw dáár zou verrijzen, had ik me niet gerealiseerd. Het duurde zeker een half jaar, voordat ik me er wandelend van ging vergewissen waar dáár in de stad precies was.

Het was geen aangename wandeling omdat in dit gebied, tussen Babylon en het Muziek- en Danstheater werkelijk alles lelijk is (waarbij ik Babylon natuurlijk bij de lelijkheid inlijf, maar niet die andere grens, het Danstheater, want dat is in alle eenvoud een verademing). Mijn eerste fysieke kennismaking met het VROM-gebouw, daar middenin die neerslachtige stadswildernis, viel niet mee. Het was zwaarbewolkt. Door het ontbreken van een heldere, natuurlijke lichtinval bleven de reusachtige serres duister en zonder diepte. Het enorme gebouw vertoonde zich als een log, massief blok en ik kreeg intens medelijden met die meer dan drieduizend ambtenaren, achter die talloze in serres weggestopte raampjes - open of niet open - ver verwijderd van de natuurlijke elementen en gebogen over hun dossiers betreffende het milieu, de ruimtelijke ordening of de volkshuisvesting.

Het beeld werd radicaal anders toen de motregen ophield en de zon doorbrak. Ik had op dit moment gewacht, zoals de fotograaf van Grassi's bibliotheekgebouw in Groningen. En zie, er gebeurde een wonder. De vrijwel ondoorzichtige silo met raadselachtige inhoud veranderde in een transparante volière. Ineens werd van buitenaf zichtbaar hoe Jan Hoogstad zijn departementsgebouw in elkaar heeft gezet: een plankgebouw als middenas met vijf dwarsvleugels die aan beide zijden even ver uitsteken. In deze symmetrie ontstaan er acht, aan drie kanten omsloten buitenhoven - vier aan weerszijden van het middenrif - die aan de buitenzijde met glazen vlieswanden worden afgeschermd en zo tot binnenhoven, tot serres zijn getransformeerd. Boven dit geheel spande Hoogstad een glazen karteldak dat net als in een modern stadion, naar gelang de weersgesteldheid open en dicht kan gaan. De acht serres vormen de longen van het gebouw, het orgaan waarmee het klimaat wordt geregeld. Alle ramen komen op een serre uit, dus kunnen zonder problemen worden opengezet, en de dubbele beglazing die normaal vanwege energiebesparing en bestrijding van geluidshinder nodig zou zijn geweest, valt nu uiteen in twee enkelvoudige ruiten. De eerste ruit zit gewoon in het raam naar de serre. De tweede ruit is het glazen scherm dat van het buitenhof een binnenhof, een serre maakt.

Voor een leek is het niet eenvoudig al die klimatologische en energietechnische bezweringen te begrijpen. In deze krant zijn heftige discussies gevoerd over het Ziekmakende Gebouwen Virus dat het gevolg zou zijn van moderne architectonische uitvindingen als het atrium of de serre. Het virus zou klachten van zowel fysiologische als psychologische aard ten gevolge hebben. Ook in het geval van het VROM-gebouw zal de tijd het leren. Maar persoonlijk geloof ik dat de werknemer die zijn bureau aan het atrium heeft staan, er in elk geval in psychologisch opzicht oneindig veel beroerder aan toe is dan de collega die met zijn kamer aan een serre grenst. Eigen atrium-ervaringen en een rondgang door het VROM-gebouw hebben dit inzicht versterkt.

Kopjesgerinkel

De grootste openbaring die mijn bezoek aan het departementsgebouw opleverde was de verstilde, bijna sprookjesachtige atmosfeer die in de hoge, majestueuze maar lichte serres heerst. Dat ligt niet alleen aan de exotische inrichting, aan de palmbomen en andere subtropische planten die in dit regelmatige binnenklimaat gedijen, maar ook aan de gedempte akoestiek en het opwindende tussen-de-coulissen-gevoel dat de bezoeker hier overvalt. Niet alleen staan de ramen open, maar ook sommige deuren naar overdekte terrassen en pergola's zijn achteloos open gelaten. Je hoort flarden van vergaderingen, van gesprekken, van gelach, van kopjesgerinkel. Fragmentarische stemmingsbeelden die me doen denken aan grote hotels in de tropen.

Een tweede verrassing is de rijke verzameling scenische uitzichten die aan je voorbijtrekt als je over de stalen loopbruggen wandelt die op alle niveaus - het zijn er vijftien - de serres met elkaar verbinden. De afwisseling van beelden lijkt onuitputtelijk. En wat mij van buitenaf zo'n bezwaar leek: als ambtenaar alleen maar naar buiten kunnen kijken met een serre tussen jou en de open lucht, blijkt van binnenuit heel bijzonder te zijn. De glazen buitenwand met de ijle verticale verbindingen heeft de werking van een scherm met perspectivische hulplijnen waardoor de beelddiepte wordt vergroot. Zo kijkt de VROM-ambtenaar vanuit zijn nieuwe werkkamer naar de stad Den Haag als naar Panorama Mesdag.

Geeft het exterieur van het kolossale nieuwe ministeriegebouw even veel aanleiding tot aangename verwondering, verbazing en verrassing als het interieur? Helaas niet. Wie het gebouw van binnen heeft gezien, begrijpt hoe de functionele serres het uiterlijk van het gebouw hebben bepaald. Het viel me op dat dit inzicht van betekenis is voor de appreciatie van het gebouw, het wordt daardoor interessanter. Maar niet mooier. De stugge, blinde gevelpartijen aan beide kopse kanten van het gebouw zijn zo dominant en beeldbepalend dat de luchtige, opwindende serres erdoor lijken te worden samengedrukt. Rem Koolhaas heeft eens gedoceerd dat het exterieur van gebouwen boven een bepaalde schaal "zelfstandige architectonische en sculpturale kwaliteiten' moet bezitten. Architectonische en sculpturale kwaliteiten die onafhankelijk kunnen zijn van de functionele programma's. Hoogstad heeft deze ontwerpvrijheid niet genomen. Daarom maakt dit gebouw de indruk in architectonisch opzicht nog lang niet te zijn voltooid. Daarentegen is het technisch en functioneel tot in de kleinste details uitgewerkt.

Over vijf jaar zal mijn oordeel wellicht heel anders luiden. Dan staat, deo volente, tegenover het nieuwe gebouw van het ministerie van VROM het Haagse stadhuis van Richard Meier. Daardoor zal alles anders zijn geworden.

    • Max van Rooy