Wraak!

De rietfluit (Mest). Regie: Jermek Sjinarbajev. Met: Maksim Moenzoek, Oleg Li, Erik Zjolzjaksinov, Aleksandr Pan. In: Amsterdam, Desmet; Den Haag, Haags Filmhuis.

Veel van wat de uit Kazachstan afkomstige regisseur Jermek Sjinarbajev en zijn scenarist, de romanschrijver Anatoli Kim, ons willen vertellen in hun film De rietfluit, blijft in raadsels gehuld. De literaire structuur van het relaas wekt verwarring. De proloog, gesitueerd aan het hof van een niet nader aangeduide oosterse vorst, lijkt nauwelijks verband te houden met de rest van de film, ook al komen dezelfde figuren in de laatste scène weer uit de mist opduiken. De heerser vierendeelt de leermeester van zijn zoontje in de vechtkunst, omdat hij in een krachtmeting met de jongen niet tot het uiterste is gegaan. Dan vertrekt de hofdichter, “omdat poëzie niet kan bestaan, waar onrechtvaardigheid heerst”.

Het zou het motto kunnen zijn van de film, ware het niet dat er nog heel wat meer oosterse wijsheden gedebiteerd zullen worden: “De mens is als een rietfluit, die God bespeelt” bij voorbeeld, en: “Wij zijn slechts verschijningen op de denkbeeldige weg tussen yin en yang”.

Nee, dan is de Russische titel van De rietfluit (het instrument figureert uitsluitend op de geluidsband) eenduidiger: Mest betekent gewoon "wraak'. Dat universele thema is in ieder geval wel herkenbaar in het eigenlijke, in hoofdstukken verdeelde verhaal. Het begint in 1915 in Korea, waar een dorpsonderwijzer op gruwelijke wijze met een sikkel een klein meisje vermoordt. Haar vader achtervolgt de moordenaar naar China om zich te wreken. Een mysterieuze vrouw verhindert de voltrekking van de bloedwraak, waarna de vader naar huis terugkeert, een dove bijvrouw neemt en een zoon verwekt. Vlak voor zijn dood zadelt hij de jongen op met de dure plicht de dood van zijn halfzusje te wreken. Hoewel voorbestemd voor het dichterschap, staat diens jonge leven vanaf dat moment nog uitsluitend in het teken van de wraak. Veel later, na de Tweede Wereldoorlog, die in het hele verhaal voor het gemak overgeslagen wordt, trekt hij als gastarbeider naar het Siberische eiland Sachalin en lijkt daar eindelijk in staat te worden gesteld tot het vervullen van zijn opdracht. Maar opnieuw grijpt de voorzienigheid in.

Het lijkt erop dat De rietfluit bedoeld is als parabel, gebaseerd op allerlei taoïstische wijsheden. Die zeggen me weinig, althans veel minder dan de wonderschone beelden die Sjinarbajev, een internationaal zo goed als onbekend filmmaker uit Alma Ata, weet te genereren. Met open mond beziet men een werkstuk, dat zich aan elke rationele analyse onttrekt. De rietfluit, eerder onopvallend vertoond op de festivals van Cannes en Rotterdam, beantwoordt slechts aan zijn eigen logica. Met enige goede wil wijken de irritaties over tegenstrijdigheden in het verhaal, over de meerduidigheid van tijd en plaats (versterkt doordat alle Koreanen en Chinezen Russisch spreken) voor aarzelende bewondering. De film is een intrigerend curiosum, dat hardnekkig een halve meter boven de grond blijft zweven.