"Wij hebben hier geen brugklas, wij hebben een driejarige brugperiode'

Van mijn allereerste schooldag herinner ik me dat ik binnenkwam, in een bank ging zitten en triomfantelijk meldde dat ik pas vijf was. Het is de hele lagere school niet meer goedgekomen.

Op de middelbare school werd ik niet meer gehoond, maar ik voel me nog steeds slecht op mijn gemak bij kinderen, vooral wanneer ze met veel zijn en een meter negentig en met open monden kauwgom kauwend hun onverschillige blik langs je kleren laten glijden. Meestal stap ik vastberaden door zo'n menigte heen, maar deze weken ben ik een van hen.

In het eerste deel van de trilogie die ik aan het schrijven ben over paarden en het twaalfjarige meisje Koosje heb ik mijn heldin naar het Montessorilyceum gestuurd. Daar zal ze in deel drie in de brugklas komen. Maar ik weet niets over Montessorischolen, dus heb ik gevraagd of ik een poosje mee mag lopen met de brugklas.

"Wij hebben geen brugklas', zei de conrector, die geen conrector heet maar deelschoolleider, "wij hebben een driejarige brugperiode.'

Maar ik was welkom en op de eerste schooldag sta ik zenuwachtig tussen de leerlingen, want ik ben vergeten hoe mijn klas heet. Een letter en cijfer weet ik nog en dat cijfer zal wel een één zijn, maar één wat?

Dan zie ik een roodharig meisje dat me bekend voorkomt. Voor de grote vakantie hebben we een introductiedag gehad en daar was zij ook, weet ik ineens weer.

"Hoi,' zeg ik, "weet jij nog in welke klas we zitten?'

"1-L' zegt ze en dan weten we allebei niet hoe het verder moet. 1-L wordt in lokaal 14 verwacht, lees ik op een papier. Er komen twee meisjes bij ons staan. "Lokaal 14!' schreeuwt het ene meisje achterom.

"Je wordt straks gehaald,' zegt het andere.

"Hoe weet je dat?' vraag ik. Ze haalt haar schouders op.

"Ze komen je halen,' herhaalt ze, "ik wist het vorig jaar ook niet, maar ze kwamen gewoon.'

Maar dan, zonder aanleiding beginnen de leerlingen naar binnen te stromen en lopen we de trap op naar lokaal 14. Daar staat een groepje jongens.

"Heb je Guns 'n Roses gezien?', vraagt een schattig jongetje met perzikwangen. Guns 'n Roses is een heavy metal groep, het zwaarste metaal uit de popmuziek. "Gaaf,' voegt hij eraan toe. Ze hebben allemaal Guns 'n Roses gezien, want iedereen is fan. Niemand heeft het over de eerste schooldag, het lijkt wel of ze hier al jaren over de vloer komen in plaats van voor de tweede keer.

De indeling van de tafeltjes lijkt ook al een uitgemaakte zaak. Kinderen die elkaar van de lagere school kennen, zitten bij elkaar, de sterkste aan het mooiste blok achterin, de slome kinderen bij elkaar en de eenlingen aan de zijlijn. Ik heb duidelijk een lage rang. Er zijn achtentwintig kinderen en even zoveel tafeltjes. Ik mag een krukje bijschuiven maar beslist niet overal. "Wij zijn een groepje', zegt een sterk meisje afwerend als ik solliciteer.

De kennismaking van de eerste klas is een drietraps-aangelegenheid. Behalve de korte introductiedag van voor de vakantie en de ochtend waarop het rooster wordt meegedeeld, is er een speciale middag waarop de namen worden geoefend en er een sportieve ontmoeting is.

Twee aan twee moeten we elkaar interviewen en onze bevindingen kort vertellen. Ik vertel aan de wiskundejuf wie ik ben en wat ik kom doen, zij vertelt dat ze vroeger textiele werkvormen heeft gestudeerd, maar zich heeft laten omscholen, omdat er in de textiele werkvormen geen droog brood te verdienen is. Het liefst zou ze bruggenbouwer worden. Een voor een stellen we onze gesprekspartner aan de klas voor:

"Dit is Bart, hij houdt van Guns 'n Roses en van televsisiekijken, hij heeft twee broers en dat is alles.'

"Dit is John, hij zit op voetballen en hij is verslaafd aan kauwgom kauwen.'

"Dit is Annemarie en ze houdt van spaghetti. Ze zit op, waar zat je ook weer op?'

"Dit is Lilian, zij en ik hebben veel gemeen, want we houden allebei van in de mode lopen.'

Ik vind dat de hele klas onderling veel gemeen heeft. Ze kauwen allemaal kauwgom, ze luisteren naar popmuziek en ze kijken televisie. Er zijn maar liefst zes of zeven meisjes die paardegek zijn, dat komt nog van pas. En dan is er nog iets. Ze zijn, zonder dat je kunt aanwijzen aan wie dat nou ligt, verschrikkelijk voortvarend, veel meer dan de kinderen uit de parallelklassen. Als we later op de middag kennismakingsspelletjes doen, proberen ze eensgezind en uit alle macht er een puinhoop van te maken.

De twee ballen die we kalm naar elkaar toe moesten spelen, worden zo hoog en zo vermogelijk weggekwakt, ze gillen en meppen en ze spelen vals en als ze fietsbanden om een paal moeten werpen, mikken ze op elkaar en tenslotte ook een beetje op de leraar, die het spel begeleidt.

Ik zie de leraren verwonderd naar het spektakel kijken.

"Heb je 1-L gezien?'

"Nou en of! Er staat ons wat te wachten.'