Universiteit verliest overal de slag met hoger beroepsonderwijs

In de VS bestaat geen strikt onderscheid tussen universiteit en beroepsonderwijs. In landen waar dat wel zo is, komen de universiteiten in moeilijkheden. Staat het opheffen van het binaire stelsel voor de deur?

CSHOB. Hicher education policy in international comparative perspective.

Die Zeit, 26/1992. Der Spiegel, 23/1992, The Times Higher Educational Supplement, 7, 14, 21 en 28 aug.

"A new name for a top polytechnic - University of Plymouth'. De splinternieuwe universiteit van Plymouth is niet de enige die op de wekelijkse onderwijspagina's van het dagblad The Independent adverteert met haar pas verworven status. Behalve de Polytechnic South West, de nieuwe University of Plymouth, adverteren ook Kingston Polytechnic, Teesside Polytechnic en Staffordshire Polytechnic met hun nieuwe status op zo'n pagina. De week daarna zijn het er weer andere, want belangstelling voor dit soort advertenties is er voorlopig nog genoeg. Een groot aantal polytechnics schaart zich immers dezer dagen in de rij van de Britse universiteiten - en bezetten daarin vaak een vooraanstaande plaats.

Het binaire stelsel in Engeland, waarin instellingsgewijs onderscheid tussen universitair en hoger beroepsonderwijs wordt gemaakt, wordt opgeheven. Het is het resultaat van een ontwikkeling waarin universiteiten en hogescholen (universities en polytechnics) steeds meer op elkaar gingen lijken en waarin de laatsten beter en dus ook met meer succes reageerden op wat door de samenleving van het hoger onderwijs wordt gevraagd.

Eerder was in Australië het stelsel ontploft - en in Nederland wordt binnen enkele jaren ook afscheid genomen van het binaire stelsel van hoger onderwijs. Dat althans is de overtuiging van onderzoekers van het Centrum voor studies van het hoger onderwijsbeleid (CSHOB) in Enschede. Zij baseren zich op de uitkomsten van een vergelijkend onderzoek naar ontwikkelingen in het hoger onderwijs in elf landen: Australië, Californië, Canada, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Groot Brittannië, Japan, Nederland, Zweden en Zwitserland.

Niet in dezelfde vijver

Ingrijpende veranderingen in het stelsel van hoger onderwijs horen in vrijwel alle van de elf onderzochte landen tot de orde van de dag. Alleen in landen waar het stelsel redelijk in staat is een zeer grote en heterogene groep studenten op te vangen is het betrekkelijk rustig. Zoals in Californië waar het hoger onderwijs een duidelijk in soort en niveau gedifferentieerd en ook als zodanig herkenbaar aanbod kent. En waar ook, kort gezegd, de universiteiten en hogescholen voor hun studenten niet in dezelfde vijver hoeven te vissen. De Community Colleges, de Californian State University en de University of California hebben er duidelijk omschreven doelstellingen (waar ze door de wet aan gehouden worden). Ze richten zich elk ook op ander deel van het leerlingenbestand dat het secundair onderwijs achter de rug heeft.

Er is ook nog Duitsland met een hoger onderwijsstelsel waarin niets verandert maar waarin het zo rommelt dat een ontploffing onvermijdelijk lijkt. ""Die Universitäten sind im Kern verrottet'', zo hield president D. Simon van de Wissenschaftsrat onlangs de lezers van Die Zeit nog eens voor. Bladen als Die Zeit en Der Spiegel, maar ook vakbladen, maken bijna wekelijks melding van de problemen waarin Duitse Fachhochschulen en vooral Universitäten verkeren. Problemen die zijn ontstaan doordat niet tijdig is geanticipeerd op de maatschappelijke vraag naar grote aantallen, anders dan in het verleden gevormde hoger opgeleiden.

Erg oud

Het Duitse hoger onderwijs telt thans ruim 1,7 miljoen studenten terwijl er eigenlijk maar iets meer dan 900.000 opleidingsplaatsen zijn. De studenten doen bovendien veel te lang over hun studie waardoor ze erg oud zijn als ze op de arbeidsmarkt komen. Ook leveren de universiteiten volgens de jongste prognoses nog eens niet voldoende academici af. Het land komt er komende tien jaar nog zo'n 200.000 tekort, zo schrijft Der Spiegel. Om daarin te voorzien zijn er veel meer eerstejaars nodig dan de ruim 260.000 van dit moment.

Het belangrijkste argument voor de veranderingen in de onderzochte landen is volgens het CSHOB de noodzaak om tegen beheersbare kosten voor de overheid zeer grote aantallen studenten hoger onderwijs te kunnen laten volgen - en dat vergt in elk geval modernisering van het onderwijs. Differentiatie naar doelstelling en dus ook curriculum is nodig maar eveneens vernieuwing van de onderwijskundige werkvormen.

De roep om meer hoger opgeleiden lijkt universeel: in de ontwikkelingslanden maar ook in de elf landen die het doelwit waren van het CSHOB-onderzoek. De overgang van hoger onderwijs dat slechts voor een relatief kleine, elitaire groep studenten was bestemd was naar "hoger onderwijs voor velen'' blijkt zowel in Europa als in Japan moeizaam te verlopen. Maar in Duitsland moeizamer dan elders terwijl dat land toch, samen met Frankrijk, een hoger onderwijs kent dat het hardst aan modernisering toe is.

Voor een belangrijk deel gaat het zo moeizaam doordat de universiteiten lange tijd - en soms tot op dit moment - zich niet hebben bezonnen op hun veranderende functie. Dat gebeurde ook niet toen de universiteiten, die het alleenrecht hadden op hoger onderwijs, concurrentie kregen van instellingen die ander, maar evenzeer en vaak beter hoger onderwijs voor hun rekening namen.

Naarmate de universiteiten zich in karakter, aanbod en doelstellingen konden meten met de nieuwkomers (hogescholen, polytechnics, Fachhochschulen) vervagen niet alleen de grenzen, ook wordt er steeds meer van hetzelfde aangeboden.

Het succes van de nieuwkomers, die hun taak in het moderne hoger onderwijs veelal beter en goedkoper uitvoeren dan de met veel tradities bezwaarde universiteiten, schreeuwt om erkenning van in elk geval de gelijkwaardigheid. En waarom dan dus niet de nog steeds veel prestige gevende universitaire titel aangemeten.

In Engeland worden de polytechnics al lang als universiteit beschouwd, daar verandert het officiële verdwijnen van het binaire stelsel niets aan, zo constateert hoofdredacteur P. Scott van The Times Higher Education Supplement in een uitvoerig essay over de veranderingen in het Britse hoger onderwijs. Het verdwijnen van de weinig vruchtbare, want op oneigenlijke gronden gebaseerde, concurrentie tussen universiteiten en hogescholen, maakt in elk geval de weg vrij voor andere, succesvollere vormen van differentiatie in het hoger onderwijs, zo leert ook het CSHOB-rapport (het onderwijsaanbod per instelling gaat grotere verschillen in lengte, niveau en doelgroep vertonen).

Crisis

Dit alles is echter nog steeds geen verklaring voor de crisis waarin het Duitse hoger onderwijs in vergelijking met dat in de omringende landen verkeert. Een crisis waar zich in Duitsland steeds meer mensen gaan bemoeien. Er verschijnt op de regeringstafels inmiddels dan ook veel ongevraagde post van belangrijke onderzoeksinstituten die in opdracht van bezorgde groepen het hoger onderwijs hebben doorgelicht, analyses hebben gemaakt en uitwegen aangeven.

Wat ze gemeen hebben is de conclusie dat de Duitse universiteiten nu ook formeel maar eens afscheid moeten nemen van de aan Von Humboldt ontleende filosofie met haar directe vervlechting van onderwijs en onderzoek. De overheid, gehinderd door de bureaucratische structuur waarin het hoger onderwijs is gevangen, lukt het echter maar niet om Universitäten en Fachhochschulen op het goede spoor naar de toekomst te krijgen.

Dè oplossing presenteert het CSHOB ook nog niet in het onderzoek dat het doet in opdracht van de Bertelsmann Stiftung - een aan de gelijknamige uitgeverij gelieerde, maar overigens onafhankelijke stichting die "cultureel werk' doet. Het vergelijkend onderzoek naar het onderwijsbeleid in elf landen (waarvan de uitkomsten te vinden zijn Higher education policy in international comparative perspective) is immers pas een eerste stap op weg naar een rapport voor de regering. De onderzoekers maken wel duidelijk dat het de grote professionele autonomie van de hoogleraren en docenten is dat het hoger onderwijs er zo in de problemen brengt.

Inhoud, vorm en richting van het onderwijsproces (en onderzoek) wordt aan "de basis' bepaald en dat is een betrekkelijk gesloten wereld waar de autonomie van de docent gekoesterd wordt. Die autonomie, zo wordt geconstateerd, heeft anders dan wordt beweerd, vaak niet zo veel meer van doen met de "academische vrijheid'. Was deze bedoeld als garantie voor docenten en onderzoekers om zich vrij te kunnen uiten - veelal wordt zij gebruikt als brevet voor vrijblijvend gedrag. Volgens de onderzoekers is die autonomie de kern van het Duitse probleem - verergerd doordat de universiteitsbesturen onvoldoende voor tegenwicht kunnen zorgen. Alle pogingen van de overheid in de afgelopen decennia om iets aan de structuur van het universitaire onderwijs te veranderen zijn op de autonomie van de hoogleraren doodgelopen. In Duitsland wordt ook meer dan in de andere onderzochte landen de gang van zaken in het hoger onderwijs bepaald door de professionals. In de andere landen is een ontwikkeling te zien waarin overheid maar vooral markt daarvoor bepalend worden.

Wat in Duitsland tot dusver is mislukt, lukte in Nederland ruim tien jaar geleden na verscheidene vergeefse pogingen. De professionals zeiden in de jaren zeventig net een keer te veel "neen' tegen de (politieke) wens tot herstructurering van het universitaire onderwijs waarna het voor minister Pais betrekkelijk eenvoudig bleek de twee-fasenstructuur in te voeren. Daarmee was de weerstand gebroken en kon minister Deetman met zaken als voorwaardelijke financiering, de grote taakverdelingsoperaties en de fusiegolf bij de hogescholen het Nederlandse hoger onderwijs moderniseren.

Het beleid, sinds 1985, om universiteiten en hogescholen daarbij meer autonomie te geven was niet alleen sluitstuk van die ontwikkelingen, het blijkt ook een onontkoombare voorwaarde om het hoger onderwijs bij de tijd te geven. De versterking van het bestuur van de instellingen is niet alleen noodzakelijk om die autonomie te kunnen waarmaken (en wordt de professionele autonomie beteugeld) het maakt het universiteiten ook gevoeliger voor veranderingen in de leefomgeving -zeker als universiteiten en hogescholen voor de financiering meer van anderen dan alleen de overheid afhankelijk worden.

In de pas

Met die veranderingen loopt Nederland zo op het eerste oog keurig in de pas met de meeste andere landen die door het CSHOB zijn bekeken. De invloed van de professionals maar ook van de overheid bij het bepalen van de koers van het hoger onderwijs neemt geleidelijk aan af. Met Engeland en Australië loopt Nederland voorop in de rij van elf op weg naar marktgericht hoger onderwijs.

Regelmatig blijkt echter ook nog dat er sinds beginjaren tachtig misschien eerder sprake was van nieuwe etiketten zijn veranderd dan dat universiteiten zich daadwerkelijk aan de nieuwe tijd hebben aangepast. Zo constateerden devisistatiecommissies die het onderwijs doorlichtten regelmatig dat het onderwijs bij de invoering van de twee fasenstructuur maar zelden behoorlijkis geherprogrammeerd. In het recente ontwikkelingsplan van de Twentse Universiteit is zelfs nog te lezen dat nu wordt begonnen met een herprogrammering van het onderwijs op basis van een cursusduur van vijf jaar.

Op een symposium over de aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs meldde onlangs een van de inleiders vol trots dat zijn faculteit nu bezig was na te denken over de mogelijkheid in de doctoraal fase verschillende uitgangen te creëren voor aankomende onderzoekers en voor studenten die na hun studie iets anders willen worden.

Naderend afscheid

Misschien kan Nederland bij het naderend afscheid van het binaire stelsel leren van de ervaringen in Engeland. Scott verwacht veel van de veranderingen in Engeland. Niet alleen het openbreken van de toegang tot het hoger onderwijs, maar ook een inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs.

Veel daarvan, zoals mudularisering, is daarvan in Nederland al bekend. Ook het doorbreken van de grenzen van de traditionele disciplines, in bijvoorbeeld de nieuwe "kundes', is niet geheel nieuw. Maar het aanbieden van onderwijs op verschillende niveaus en het gebruiken van moderne onderwijstechnologie kom je hier niet of nauwelijks tegen en aan het doordenken van wat de invoering van de twee-fasenstructuur voor het invoeren van het onderwijs betekent wordt tien jaar na dato nog maar mondjesmaat begonnen. Een initiatief enkele jaren geleden in Brabant om universiteiten en hogescholen samen een in lengte en niveau zeer uiteenlopend onderwijspakket te laten verzorgen stierf een zachte dood. Maar misschien krijgt zoiets inderdaad pas kans als het binaire stelsel ten grave is gedragen. Voor de dagbladen belooft dat een goede tijd te worden.