TAAIE VROUWEN

De Nederlandse psychologie kent geen vrouwelijke hoogleraren, zelfs niet in de kinder- en ontwikkelingspsychologie. In Amerika - het psychologenland bij uitstek - ligt dat anders. Over de hele wereld is het werk bekend van Mary Ainsworth (hoe baby's zich hechten aan hun moeder), Mavis Hetherington (de invloed van echtscheiding op kinderen) en Sandra Scarr (de wisselwerking tussen erfelijkheid en milieu), om slechts enkelen te noemen. En wat voor de ontwikkelingspsychologie geldt, geldt voor de hele psychologie, de hele wetenschap en de hele samenleving: in de Verenigde Staten zijn vrouwen in hoge posities een vanzelfsprekender verschijnsel dan in Nederland.

Ik denk altijd dat dat komt doordat veel Amerikaanse vrouwen in nog betrekkelijk korte lijnen afstammen van voorouders die het risico, het zware leven en harde werken van het immigrantenbestaan hebben aangedurfd. En die overovergrootmoeders uit de vorige eeuw moeten sterke vrouwen zijn geweest, nog sterker dan de overovergrootvaders, want ik ben nog wel zo seksistisch te denken dat het aandurven van emigratie nog net iets meer zegt over vrouwen dan over mannen.

Wie leest over het leven van de Amerikaanse pioniers in de vorige eeuw krijgt de indruk dat de vestiging bovendien meestal alleen maar lukte bij een gelijkwaardige samenwerking tussen mannen en vrouwen. Beider inbreng - hoe seksespecifiek misschien ook, maar altijd even zwaar - liet bij verstandige mensen geen ruimte voor seksisme. Daar stammen huidige Amerikaanse vrouwen van af en sporen daarvan zijn nog steeds merkbaar.

Dat vrouwen inderdaad een krachtige factor moeten zijn geweest blijkt bijvoorbeeld indirect uit het wel zeer bijzondere onderzoek van de antropoloog Grayson, die de dagboeken analyseerde van leden van een groep pioniers die in 1846 vanuit Illinois Californië probeerden te bereiken. Er was een voortdurende trek, steeds verder westwaarts, in barre tochten. Met deze groep van 87 mensen liep het wel heel slecht af, veertig van hen overleden onderweg door uitputting, ziekte, honger en kou. Men probeerde een kortere doorsteek te maken en werd in de bergen van de Sierra Nevada overvallen door de winter en moest vijf maanden doorbrengen in voortdurende sneeuwstormen. Toen het eten op was at men achtereenvolgens de trekdieren, de huisdieren (""We leefden een week op Cash'', schreef een dertienjarig meisje in haar dagboek over haar hond), bouillon getrokken van bontvellen, gelatinesoep van botten en ten slotte overleden reisgenoten (""Mrs. Murphy zei gisteren dat ze dacht dat we aan Milt moesten beginnen om te eten'', staat in een ander dagboek).

Omdat in die dagboeken werd bijgehouden wie wanneer stierf gaat één van de analyses van Grayson over de invloed van sekse op de overlevingskansen. De leeftijd buiten beschouwing gelaten, stierf dertig procent van de vrouwen en 57 procent van de mannen. Dit opmerkelijke verschil werd voor Grayson nog interessanter toen hij vaststelde dat de helft van deze mannen in de eerste twee maanden van de overwintering stierf, maar alle vrouwen pas in de laatste drie maanden. Vrouwen hielden het dus langer uit.

Grayson ziet hierin een bevestiging van zijn theorie - die hij tot dusver alleen in laboratoriumexperimenten had kunnen toetsen - dat mannen in het algemeen beter zijn in het oplossen van problemen die een snelle aanpak vergen, maar dat vrouwen de zogeheten "open-eind-problemen' (je weet niet hoe lang het nog kan duren en wat er nog komen gaat) aankunnen. Zij kunnen in het algemeen de onbeheersbaarheid en de onmogelijkheid iets te doen beter verdragen en hebben vanuit die relatieve kalmte meer oog voor tijdelijke oplossingen die de houdbaarheid van de situatie kunnen rekken. Mannen raken door machteloosheidsgevoelens sneller geblokkeerd.

Maar er zat meer aan vast. Er stierven opvallend veel mannen tussen de twintig en veertig jaar. Op het eerste gezicht vreemd, want dat is de sterkste leeftijd. Maar het was in die tijd ook de leeftijd van nog ongetrouwde mannen, die zonder verdere familie aan de tocht begonnen. De meereizende vrouwen waren volgens de zeden van die tijd uiteraard allemaal echtgenote, moeder of dochter. Dat wil zeggen: de vrouwen hadden allemaal emotionele bindingen. Dit bleek een andere belangrijke overlevingsfactor te zijn. Van alle 87 reisgenoten te zamen genomen hadden degenen die stierven gemiddeld 2,1 verwanten in de groep, tegen de overlevenden 4,6.

Emotionele bindingen hielpen de vrouwen, moeders en dochters de ontberingen beter aan te kunnen.

Toen ik dat las moest ik denken aan de theorie van een andere wereldberoemde vrouwelijke psycholoog uit de Verenigde Staten, Nancy Chodorov. In het kort komen haar ideeën hierop neer dat moeder en kind na de geboorte lange tijd één zijn. Maar terwijl een kleuterjongetje leert beseffen dat hij een andersoortig wezen is dan zij en hij zich van haar los moet maken en zich gaat richten op een vereenzelviging met zijn vader, blijft voor een meisje die verbondenheid bestaan. Jongetjes beleven een breuk in hun vroegkinderlijke symbiose met moeder, meisjes niet. Daardoor blijft het gehecht zijn áán, zich inleven in en zich vereenzelvigen mèt een ander wezen een essentiële levenshouding van meisjes en vrouwen. Op die manier wordt ook het moederschap van vrouwelijke generatie op vrouwelijke generatie doorgegeven. Als de dochter volwassen is kan zij zich weer verbonden voelen met haar eigen kinderen en leven vanuit hun belangen.

De teneur van Nancy Chodorovs publikaties is dat we naar opvoedingsstijlen zouden moeten streven die het een dochter mogelijk maken net als haar broertje los te komen van haar moeder en een wezen te worden dat net als een man meer op zichzelf staat.

Maar het zou dus wel eens kunnen zijn dat de vrouw daarmee één van haar sterke kanten zou verliezen. Misschien is dit zich vereenzelvigen met een ander in de evolutie wel een selectiecriterium geweest dat heeft geleid tot taaiheid. Het heeft in ieder geval gezorgd dat vrouwen die zo ingesteld waren beter voor hun nakomelingen konden zorgen en zich dus ook in groteren getale hebben kunnen voortplanten. En in het barre pioniersbestaan lijkt het volgens de analyse van Grayson ook een factor van belang te zijn geweest. Denkend aan en zorgend voor anderen hielden vrouwen het langer uit.

Minder herosch en meer in het praktische vlak hebben de vrouwen van Duitse en Oostenrijkse immigranten in New York in de jaren dertig daarvan een voorbeeld gegeven. Het lukte hen in het algemeen beter zich aan te passen dan de mannen en waarom? Juist door de zorg voor de kinderen, hun echtgenoten en het huishouden. Daardoor leerden zij sneller Engels en waren ook anderszins gedwongen een weg te vinden in het nieuwe bestaan. Dat leidde er vervolgens toe dat zij makkelijker werk vonden, dat bovendien in het algemeen beter betaald werd dan wat mannen in hun tamelijk hulpeloze onhandigheid konden verrichten.

Deze vrouwen zijn de grootmoeders van de huidige Amerikaanse vrouwen. Ze hebben de schok meegemaakt van het op eigen kracht moeten kunnen zorgen, nee niet alleen - misschien zelfs niet in de eerste plaats - voor zichzelf, maar voor degenen met wie ze zich verbonden voelden. Dat maakt sterk, geëmancipeerd en doet overleven.

Nancy Chodorov: The reproducing of mothering. University of California Press, 1978.

Jeroen Koch: Het wrede vergeten van de Heimat. NRC Handelsblad, 4 april 1992.

Pat Shipman: Life and death of the wagon trail. New Scientist. 27 july, 1991.

    • Rita Kohnstamm