Soepeler heffing pensioenfondsen

DEN HAAG, 10 SEPT. De regeringspartijen CDA en PvdA zijn bereid tot versoepeling van het wetsvoorstel voor belastingheffing op de zogenoemde vermogensoverschotten van pensioenfondsen. Dat bleek gisteren tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer over de "Brede Herwaardering'.

De kern van de wet is dat pensioenfondsen, nadat de wet van kracht is, vijf jaar de tijd hebben om een vermogensoverschot "weg te werken'; ze kunnen dit doen door bij voorbeeld de premies te verlagen. Als er na vijf jaar nog steeds een vermogensoverschot is, wordt ieder jaar een heffing geheven van maximaal 40 procent, net zo lang totdat het vermogensoverschot is verdwenen.

Bij het bepalen van een vermogensoverschot geldt een zekere marge. Het wetsvoorstel gaat uit van een extra reserve boven de zogeheten nominale verplichtingen - verplichtingen waarbij geen rekening wordt gehouden met stijging van lonen en prijzen - van 15 tot 18 procent. Hoe meer een pensioenfonds in aandelen belegt, dus een grote risico loopt, hoe groter de belastingvrije buffer mag zijn. Tijdens de hoorzitting drongen de pensioenfondsen er op aan om deze belastingvrije buffer te verhogen.

De discussie tijdens de hoorzitting tussen de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen (VB) en de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen (Opf) enerzijds en de Kamerleden anderzijds spitste zich toe op de vraag wat een acceptabel “overschot” is; met andere woorden welke reserve is noodzakelijk.

De pensioenfondsen vinden een periode van vijf jaar veel te kort om een eventueel vermogensoverschot weg te werken omdat de verplichtingen van de fondsen een periode bestrijken van tientallen jaren. Bovendien is een rekenrente van vier procent alleen reëel als uitgegaan wordt van de ontwikkelingen in de jaren tachtig, toen de lonen gematigd waren, de inflatie laag en de beleggingsopbrengsten ongekend hoog.

De pensioenfondsen braken een lans voor een periode van dertig jaar als uitgangspunt, een rekenrente van 1 tot 1,5 procent en een overreserve van zeker 51 procent. Ze verwezen op vergelijkbare wetgeving in Groot-Brittannië waar een overreserve van 65 procent is toegestaan.

Naast de pensioenfondsen hebben ook de Sociaal-Economische Raad, de Verzekeringskamer (die er op moet toezien dat de reserves toereikend zijn voor de verplichtingen van een fonds) en de Raad van State felle kritiek op het wetsvoorstel geuit.