Mengeling van folklore en originele dans bij Folkloristisch Danstheater; De houterige charme van Noorwegen

Gezelschap: Folkloristisch Danstheater. Produktie: Rapsodie in dans, met choreografieën van Juan Antonio, Ferenc Novak, Stefan Nosal, Lee Otterholt, Paylak Sarkissan en Theodor Vasilescou; muziek: volksmuziek en rapsodische composities van Andrasowan, Enescou, De Falla, Giménez, Grieg, Halversen, Katsjatoerian, Liszt, De Sarasate en Stracina; kostuums: authentiek en van Herbert Wardenar; decor: Albert Diederik; regie: Ferdinand van Altena. Gezien: 8/9 Stadsschouwburg, Amsterdam. Daar nog te zien: 9/9, daarna tournee.

Trouw aan de authenticiteit van folkloredansen uit verschillende landen staat bij het Folkloristisch Danstheater hoog in het vaandel. Toch wordt tegelijkertijd naar nieuwe wegen gezocht om die nationale dansen in een niet-clichématige, theatrale vorm te presenteren. Dat men daar de ene keer beter in slaagt dan de andere is daarbij bijna onvermijdelijk, juist omdat de twee uitgangspunten zo moeilijk verenigbaar zijn.

Dit seizoen heeft artistiek leider Ferdinand van Altena een verrassend uitganspunt gekozen: de rapsodie in dans. Rapsoden waren oorspronkelijk in het oude Griekenland rondtrekkende voordrachtskunstenaars die fragmenten van geliefde teksten tot een nieuw geheel rangschikten, de rapsodie. In de negentiende eeuw werd de term rapsodie nieuw leven ingeblazen door componisten die hun melodisch materiaal baseerden op de oude volksliedjes en -wijsjes uit hun eigen etnische omgeving. Liszt en Dvorak en zijn hiervan voorbeelden.

De choreografen die het Folkloristisch Danstheater aantrok, gebruiken in deze produktie zowel dat muzikale basismateriaal als de rapsodische bewerkingen daarvan en volgen wat het dansaandeel betreft een zelfde werkwijze: naast authentieke worden ook vrijere vormen gehanteerd, zowel in het gebruik van passen en ritmen. Soms blijkt de oorspronkelijk dans wonderwel aan te sluiten bij de symfonische compositie, soms inspireert de muzikale bewerking tot meer gepolijste en geraffineerd opgezette patronen, passencombinaties en kleuring van beweging. Dat leverde interessante en waardevolle resultaten op.

In het programma zijn Armenië, Slowakije, Hongarije en Roemenië het ruimst vertegenwoordigd. Dat betekent vooral vitaal, pittig en uitstekend uitgevoerd danswerk, gestoken in fraaie, kleurige kostuums. Dat het Spaanse onderdeel ondanks de op zichzelf goede choregrafieën minder uit de verf kwam, lag hoofdzakelijk aan de mannelijke leden van het gezelschap die voor het grootste deel uit de Balkanlanden afkomstig zijn en vooralsnog duidelijk moeite hebben met het treffen van de houding en stijl die de Spaanse dans eigen is. Wat dat betreft zijn de vrouwen veelzijdiger, al was ook van hen niet iedereen even overtuigend. Als totaal is de groep echter sterk, werkt zeer gedisciplineerd en straalt een onvermoeibaar dansplezier uit.

Totaal anders van sfeer en beweging was het Noorse onderdeel met zijn ingehouden temperament en wat houterig-boerse charme. De muzikale onderdelen, deels live door het eigen orkest gespeeld, deels op de band opgenomen, liepen in elkaar over en als het tussen muziek en dans niet altijd vlekkeloos verliep, leek dat eerder een kwestie van première-perikelen dan van wezenlijke misvattingen.

De gehele produktie ziet er mooi en verzorgd uit, is sfeervol en zonder fratsen belicht en heeft een sober, smaakvol decor in de vorm van een uit driehoekige vlakken bestaande luchtige constructie die boven het speelvlak hangt.

    • Ine Rietstap