Lesje in f

F, l, i, r, t. Het woord klinkt altijd onbehaaglijk, je kunt het alleen maar verkeerd uitspreken.

(Sommige mensen hebben het over hun job, of zeggen allright in het Nederlands, daar doet het aan denken.) Maar het is eigenlijk een heel gewoon woord, niet eens van na de oorlog, meer van voor de eeuw. Misschien heeft het onbehagen toch iets met de betekenis te maken; de ondeugd is een integrerend bestanddeel. Hoe verboden is het eigenlijk? Hoe doen wij het, en wie zijn ”wij'?

Het is een spel, een nutteloos spelletje, net als laat naar bed gaan en majesteitsschennis en hasjiesj roken en neerkijken op mensen met een Opel Kadett. Iedereen mag meespelen maar het gezelschap selecteert zichzelf.

De kunst is, nooit iets te doen waarvoor niet een volmaakt onschuldige verklaring kan worden gevonden. Dus bijvoorbeeld: je kijkt. In kijken schuilt natuurlijk geen kwaad. En als je klaar bent met kijken, zo mogelijk is het kijken aan de andere kant geregistreerd, je hebt weer naar iets anders gekeken - dan kijk je nog een keer, even. Die keer is raak.

Alsmaar aan iemand zitten is tegen de regels. Het bezwerende hand-op-de-mouw-leggen, het hoerige de-hand-die-het-vuurtje-geeft-grijpen, het truttige pluisje-van-de-schouder-plukken, bah, wat kijken wij daarop neer. Iets origineels in deze sector mag natuurlijk altijd wel. (Wie zou niet de eerste willen zijn die aanleiding ziet om een aantrekkelijke onbekende ferm in zijn of haar neus te knijpen?) Maar voorzichtigheid is geboden. We houden de persoon in dit stadium voor onschendbaar.

Zonder handjes spelen is niet alleen het beste, het is ook de grootste kunst. Het is leuk als handicap op handicap wordt gestapeld, met veel zeurpieten om je heen, sterke afleiding door een avondvullend programma, je bent lid van vijandige kampen, je vrouw is vlak in de buurt. En toch. Je ziet elkaar en vormt een geheim bondgenootschap op basis van een puur theoretische gedachte: de gedachte namelijk dat jij van was was, en ik van terpentijn. Dan samen in een potje...

Waar kan het? Het spijt mij dat ik het moet zeggen maar het kan bijzonder goed op feestjes. Verder natuurlijk ook in de trein, bij de kapper, in de wijk en in de werksituatie, maar feestjes zijn, met hun licht gespannen sfeer, wel bij uitstek geschikt. Het komt ook omdat er publiek bij hoort. Zonder publiek geen geheim bondgenootschap, zonder publiek geen spel. We spreken af dat we doen alsof we het publiek negeren.

Wie al een poosje meespeelt, weet dat het spel er is in twee varianten; weinig dingen zijn belangrijker dan het verschil tussen die twee.

Bij de eerste variant gaat het om het spel zelf en om niets anders. Was het altijd maar zo, was iedereen maar tevreden met de knikkers die hij had, de wereld zou er beter voor staan. Wat zeg ik, hij zou vreselijk gezellig zijn. Overal kans op een potje. Nu eens met een oude bekende, dan weer wat nieuws. Je kout en je kijkt, en als er gedanst wordt, was je heel even van was of juist van terpentijn maar dan ga je naar huis en tegen dat je daar bent is alles weer vergeten, of op z'n laatst de volgende dag.

De tweede variant, ach, wat zal ik zeggen. Het is een zegen dat hij minder voorkomt dan de eerste. Aan het begin lijkt hij daar trouwens sprekend op, maar ineens gebeurt er iets. Je kijkt en je wilt wat, dat is de kwestie. Je kijkt, en de regels van het spel vallen als vodden van je af. Aanstekerhandje pakken hoerig? Je zou voor de gelegenheid nog willen beginnen met roken. En al gauw krijgt het spel veel te veel dubbele bodems, want een zekere schijn moet natuurlijk worden opgehouden, maar het wordt de schijn van een schijn. Het is menens en het zou verboden moeten worden.

Zeg nu zelf. De keus is niet moeilijk. We houden het met z'n allen bij de montere variant, het spelletje dat feestjes spannend maakt, conversaties sprankelend, de wereld vrolijk, en morgen weer als herboren aan het werk. En dan zijn we nooit meer verdrietig.