Kompels in Thurcroft kopen eigen mijn: vergeefse moeite

THURCROFT, 10 SEPT. Het is niet meer dan een stipje op de Engelse landkaart; als het er al op staat: Thurcroft in Yorkshire.

Een paar glooiende straten, een paar honderd inwoners, allemaal met een en dezelfde passie: hun kolenmijn. Het mist een beetje, typisch Engels weer dus. Het ruikt naar hooi, vermengd met een lichte geur van kolendamp. In het winkelcentrumpje staat met bijna woeste letters op een etalageruit gekalkt: “Closing down, everything must go.” Het mijnterrein wordt aangegeven met een roestig bord: “Thurcroft Colliery”. Op de achtergrond ziet men de schacht met het wiel dat stil staat. Er is een blauwe kabine met het opschrift “Job shop”. Dat is een faciliteit, die de directie verleent, maar behalve de beheerder is er niemand te zien. De manager van de mijn is niet bereid zonder overleg met British Coal commentaar te geven, maar de perswoordvoerder is niet bereikbaar.

Door de straten schuifelen wat mensen, sommigen nog zwart van het kolengruis, dat niet zo gemakkelijk uit de poriën is te krijgen. Een jongen bij de bushalte houdt een uitvoerig relaas in onverstaanbaar dialect. Wat blijft hangen is “vierduizend pond”.

Dat was de prijs waarmee de staatsonderneming British Coal Corporation, tot december vorig jaar eigenaar van de mijn, de onmin afkocht, toen ze besloot de “pit” te sluiten. Officieel heet het dat “het geen zin heeft om een mijn open te houden als men niet in staat is kolen te winnen tegen prijzen, die de klanten bereid zijn te betalen.”

Beheerder Sam Norburn van het gemeenschapshuis is veel beter te verstaan dan de mensen in de straat, maar hij is dan ook plaatselijk correspondent van een advertentieblad: “In het openbaar zul je hier niemand zien huilen, want ze hebben geld gekregen, dat opliep tot een bedrag van vierduizend pond naar gelang het aantal dienstjaren, maar als je ze in hun hart kijkt, dan zie je het verdriet om het sluiten van ons aller mijn.”

Maar voor het juiste verhaal, zegt Sam, moet je bij Chris Mallender zijn. Die werkt bij de gemeente Rotherham, waartoe Thurcroft behoort en hij was de grote man achter een stoutmoedig plan, dat in het Verenigd Koninkrijk opzien baarde: 163 van de ongeveer 200 werknemers van de mijn besloten de 4000 pond oprotpremie op een mutje te gooien om de mijn te kopen. Dat was voordien alleen nog maar in een Schotse mijn vertoond.

Enthousiast doken ze het diepe, zwarte gaat weer in om er als gekken te keer te gaan in een poging te bewijzen dat de mijnsluiting ten onrechte was. Totdat vorige maand de harde werkelijkheid toesloeg. British Coal, die zich - tegen betaling - had verplicht het onderhoud van de mijn op zich te nemen, liet de valbijl vallen, omdat, zoals een woordvoerder zegt, de mijnwerkers de rekening voor het onderhoud niet meer betaalden. Volgens Mallender wilde British Coal voor zijn diensten per week 20.000 pond hebben en dat kon Bruintje niet trekken en een mijn, die niet meer wordt onderhouden - wat een werk is voor specialisten - daarin valt niet meer te werken.

Sindsdien zitten de 163 vermetelen thuis duimen te draaien, kijken nors voor zich uit en snappen van alles niks meer. Mallender, die toevalligerwijze samen met plaatselijk secretaris Paul Roddis van de National Union of Mineworkers (NUM) van de roemruchte mijnwerkersleider Arthur Scargill, in de Welfare Hall in Thurcroft bezig is met het voorbereiden van een mijnwerkersmeeting: “We dolven prima cokeskolen, gemiddeld driehonderdertigduizend ton per jaar. De laatste vijf jaar maakte de mijn een winst van in totaal zeven komma zeven miljoen pond. Er zit nog zeker voor twintig miljoen ton aan reserves, die zo konden worden aangesproken. British Coal investeerde in 1991, zes maanden voordat men besloot de mijn te sluiten, nog tien miljoen pond in de mijn.

“De regering”, gaat Mallender verder, “wil de mijnen gaan privatiseren. Wij gaven daarvan, zou ik zo zeggen, een prachtig voorbeeld. En nu dit. British Coal heeft ons met de hoge onderhoudskosten bewust de keel willen doorsnijden. De sluiting van de mijn is voor dit dorp en voor deze streek, waar het werkloosheidspercentage al boven de twintig procent ligt, een regelrechte ramp. Er is geen ander werk en al heeft men op het mijnterrein dan ook een Job Shop ingericht, ik weet zeker dat ze daar in hun boeken niet één andere baan voorhanden hebben.”

Ergens, zeggen Mallender en Roddis, gloort toch nog weer een klein beetje hoop. Technici zijn bezig de mijn bedrijfsonklaar te maken, maar volgens beiden stuiten ze daarbij op onoverkomelijke problemen met het gas dat zich ondergronds vormt. Misschien dat daardoor het volstouwen van de schacht met beton zo lang wordt uitgesteld dat de regering er alsnog bij British Coal op aan zal dringen de mijn alsnog open te houden. Mallender: “We zeggen tegen de regering: geef ons nog een kans, want dit is toch een vorm van privatisering om je vingers bij af te likken. Onze produktiekosten zijn laag en schommelen per ton tussen de vijfentwintig en achtentwintig pond. We konden de kolen verkopen voor een prijs, die ergens vooraan in de dertig pond lag. Iedereen staat achter ons, ook onze afnemers zoals de electriciteitscentrales en British Steel aan wie we onze kolen leverden.”

Als de regering weigert te bemiddelen, dan overwegen, aldus Mallender en Roddis, de mijnwerkers een ondergrondse sitdownstaking naar het voorbeeld van de mijnwerkers in het Duitse Hückelhoven, waar men aldus -overigens tevergeefs- probeerde geld voor het aanboren van een nieuw kolenveld van de Bondsregering los te krijgen. De vraag is echter of de mijnwerkers van Thurcroft alsnog in “hun” mijn zullen worden toegelaten.