Het gekreukte imago van de thuisbankier

Wegens hun particuliere handel in aandelen slachtofferde de NMB Postbank vier managers. Het aanzien van de bankwereld zou zijn geschonden. De bankiers ijveren inmiddels, onder het wakend oog van De Nederlandsche Bank, voor uniforme richtlijnen.

ROTTERDAM, 10 SEPT. Bankiers hadden jarenlang een reputatie van onkreukbaarheid, maar daar komt gaandeweg de klad in. Aanleiding zijn verdachtmakingen en publikaties in de pers dat hooggeplaatsten binnen het bankwezen zich via individuele transacties persoonlijk hebben verrijkt.

De Nederlandsche Bank, toezichthouder op de banken, opereert in dit opzicht in een niemandsland; alleen de Wet Toezicht Kredietwezen maakt het mogelijk oordelen over gedrag te geven. In de mist van done en not done heeft de bank der banken een eerste vonnis geveld: bij de NMB Postbank moesten twee bestuurders, drs. A.A. Soetekouw en drs. I.E.G. van der Boor, en twee directeuren opstappen. Uit gesprekken met beurs- en bankwezen blijkt dat hun privéhandel in aandelen, via vermogensbeheerder Oudhof, de vier noodlottig is geworden. Wie volgt?

De banken hanteren uiteenlopende regelingen om misbruik van voorkennis bij privéhandel van de top te voorkomen. Toepassing van die regels is echter geen garantie dat het gedrag de goedkeuring krijgt van De Nederlandsche Bank.

Dat bleek duidelijk in de NMB Postbank-affaire. De wijze van beleggen van de vier NMB Postbank-functionarissen was weliswaar geautoriseerd door de top van de NMB Postbank, zo erkende ING-topman W.E. Scherpenhuijsen Rom gisteren in deze krant, maar bij de transacties via Oudhof was niet uitgesloten dat misbruik was gemaakt van voorkennis die de bestuursleden op hun werk opdeden. Onderzoek van externe accountants heeft overigens geen bewijs van misbruik opgeleverd. Het beursbestuur voert nog een vervolgonderzoek uit.

Ook bij andere banken, waaronder ABN Amro, blijkt geen bezwaar te bestaan tegen een vermogensbeheerder die voor de bankiers privéaandelen verhandelt. Zelfs ABN Amro-topman mr. R. Hazelhoff doet het.

De plotseling verhoogde belangstelling van De Nederlandsche Bank voor de particuliere handel en wandel van bankmanagers mag op het conto worden geschreven van professor A.H.E.M. Wellink, toezichthouder bij DNB. Begin dit jaar werd hij in die hoedanigheid vervangen door drs. T. de Swaan. Wellink had toen al de hoofdrol voor zich opgeëist in de affaire bij NMB Postbank èn bij het afdwingen van nieuwe regelgeving voor de privéhandel.

Wellink begon zijn spitwerk bij NMB Postbank in april 1991. De commissarissen van die bank schakelden toen extern accountant KPMG in om bepaalde transacties van NMB Postbank-managers te controleren. Ze reageerden daarmee op een zojuist verschenen artikel in het tijdschrift Quote, dat de suggestie wekte dat met voorkennis was gehandeld. Soetekouw zou zich persoonlijk hebben verrijkt door aandelen van Newtron te kopen, een automatiseringsbedrijf dat eind 1990 door zijn eigen bank naar de beurs was gebracht. Soetekouw had bepaald affiniteit met Newtron. Onderdeel van het bedrijf was Alpha, een vroegere dochter van de NMB, waar hij zijn carrière naar de top van NMB Postbank begon.

Pag.18: Angst voor de toorn van het Frederiksplein; "Dan moet je bewijzen dat je geen voorkennis had, en dat is onmogelijk'

Soetekouw bleek, voordat Newtron officieel notering op de beurs kreeg, via commissionair Oudhof te hebben meegedaan aan een onderhandse emissie in aandelen van het bedrijf. Daarbij betaalde de NMB Postbank-bestuurder 9 gulden voor een aandeel Newtron, dat ter beurze ging op een koers van 10,50 gulden. Soetekouw was van de officiële emmissiekoers op de hoogte geweest, zo werd gesuggereerd, en had een snelle en gemakkelijke winst op zijn aandelenpakket behaald.

Wellink meldde de NMB Postbank dat Soetekouw de regels had overtreden, maar constateerde later dat dit strafrechtelijk niet te vervolgen was. Daarmee was de kous niet af. De Nederlandsche Bank oordeelt ook over de ethische kant van het bankieren; een bankier moet weten wat wel en niet kan. En op dat front sloeg Wellink alsnog toe. Bankiers mogen zich niet schuldig maken aan speculatie, zo vond Wellink, en commissionair Oudhof laat zich daarmee wel in. Oudhof werkte meermalen mee aan "daghandel', het aan- en verkopen van aandelen op één en dezelfde dag. Dat is speculatie, aldus Wellink.

Een oordeel over Oudhof is echter voorbehouden aan de toezichthouder op de beurs, de Vereniging voor de Effectenhandel, en niet aan De Nederlandsche Bank. De vereniging heeft zich nooit tegen daghandel uitgesproken.

De beurs had al een jaar eerder dan De Nederlandsche Bank inlichtingen gevraagd over Soetekouw. Bij een routinecontrole stuitte het onderzoeksbureau van de Vereniging voor de Effectenhandel op transacties van Van der Boor en Soetekouw in het fonds Alanheri.

De voorzitter van de beurs, drs. B.F. baron van Ittersum, stuurde prompt een brief naar W.E. Scherpenhuijsen Rom, die toen nog alleen de scepter zwaaide over de NMB Postbank en nu, na de fusie met Nationale-Nederlanden, bestuursvoorzitter is van ING. Van Ittersum verwees naar het reglement van de Amsterdamse effectenbeurs. Daarin staat dat zogeheten beursgemachtigden slechts "in eigen huis' effectenrekeningen mogen houden. Hij vroeg zich dan ook af waarom Soetekouw en Van der Boor handelden via Oudhof en niet gewoon bij de NMB Postbank.

Scherpenhuijsen Rom deelde Van Ittersum in juni 1990 in een vriendelijke brief mee dat hij op de hoogte was van de rekeningen van Van der Boor en Soetekouw bij Oudhof. Hij vond het niet wenselijk dat zijn medebestuursleden bij hun eigen bank in aandelen handelden, omdat dit hun privacy zou kunnen aantasten. Bovendien wees hij op de kans dat employé's van de NMB Postbank hun bestuur bij aandelentransacties zouden navolgen.

Scherpenhuijsen Rom schreef Van Ittersum bovendien dat hij het onnodig vond zijn medebestuurders te adviseren alleen in het buitenland te beleggen. De controle daarop zou nog moeilijker zijn. De NMB Postbank-topman concludeerde dat de handel via commissionair Oudhof "de beste oplossing' was. Na deze geruststellende brief nam de beurs geen actie tegen Soetekouw en Van der Boor of Oudhof. Van Ittersum stuurde het dossier hierover vervolgens naar De Nederlandsche Bank.

Dat dossier leidde tot actie bij DNB. Wellink, die merkte dat algemene regelgeving voor privéhandel van bankiers ontbrak, vroeg mr. L.M. Overmars, directeur van de Nederlandse Vereniging van Banken, om inzage in de interne regelingen die verschillende banken hanteren. Op 19 juni 1991 werd Overmars gevraagd de zogenoemde compliance regelingen van de leden te verzamelen.

De Nederlandsche Bank ontving in totaal 41 regelingen. De NVB-directeur mocht ze niet inzien: “De banken wilden van elkaar niet weten welke regeling zij hadden. Zij beschouwden dat als interne informatie.” Volgens Overmars was Wellink niet ontevreden over het ingestuurde materiaal. Hij noemde het “hoogwaardig maar uiteenlopend.”

Bij de president van De Nederlandsche Bank, dr. W.F. Duisenberg, klonk begin dit jaar wat wrevel door over het uitblijven van een meer uniforme regeling. Hij dreigde met wettelijke maatregelen bij verder oponthoud.

Overmars zegt overigens niets van enig ongeduld gemerkt te hebben: “Vlak voor de zomer hebben ze ons gevraagd of wij een opzet voor zo'n regeling wilden maken. Ik heb toen gezegd: in september kunnen wij met een voorstel komen. Dat vond De Nederlandsche Bank vroeg genoeg.”

Het gesprek met De Nederlandsche Bank over dat voorstel voor een algemene compliance regeling moet nog plaatshebben. Het is gereed, maar nog geheim. In december hoopt Overmars er goedkeuring van zijn leden voor te krijgen. Onder hen is echter nogal wat verschil van mening.

Soetekouw en Van der Boor waren onderworpen aan een zogeheten vrije-handregeling, die ook bij ABN Amro wordt gehanteerd. Overmars heeft bezwaar tegen zo'n regeling, waarbij de commissionair de vrije hand heeft in de aan- en verkoop van aandelen. Daarbij bestaat namelijk het risico dat wordt belegd in aandelen waarmee de betrokken bankier te maken heeft in zijn werk. “Dan moet je bewijzen dat je geen voorkennis had, en dat is onmogelijk”, aldus Overmars.

Gebruikelijk is dat bij een vrije-handregeling tweemaal per jaar over de soort effecten in portefeuille wordt gesproken. Bij Oudhof bleek het mogelijk ook tussentijds wijzigingen in het beleggingsbeleid aan te brengen. Toen de Nederlandse Merchant Bank (een dochter van de NMB-Postbank) ging handelen voor de grootaandeelhouder van Internatio Müller, belde één van de Merchant Bank-directeuren naar Oudhof op met het verzoek de handel voor zijn rekening in dat fonds even te staken. Goedbedoeld misschien, maar zo'n tussentijdse ingreep spoort niet met de gegunde "vrije hand'.

De externe accountants van KPMG meldden de commissarissen van NMB Postbank dat er geen strafrechtelijke regels waren overtreden. De Nederlandsche Bank vond het rapport niettemin alarmerend: Soetekouw en Van der Boor moesten weg. Voor de laatste niet zo'n probleem: hij had al aangekondigd met VUT te gaan.

Ook verrichtte KPMG onderzoek naar twee directeuren van de Nederlandse Merchant Bank (tegenwoordig ING Investment Bank), drs. Ph. de Sterke en drs. J.W. Verhoef, en ontdekte evenmin overtreding van strafrechtelijke regels. Ten tijde van dat onderzoek groeiden binnen de Nederlandse Merchant Bank de spanningen door geruchten over handel met voorkennis en daalde het resultaat van de bank. Na het onderzoek bood de raad van bestuur de twee directeuren een genereuze afvloeiingsregeling aan.

Het blijft gissen naar de exacte beweegredenen van De Nederlandsche Bank om de vier bankiers de laan uit te laten sturen. Zij heeft zelf nooit met de directeuren gesproken. Dat is "onder heren' geregeld: commissarissen velden hun oordeel over de bestuursleden, het bestuur sprak zich op zijn beurt uit over de directeuren.

Overmars van de NVB vindt het een juiste zaak dat De Nederlandsche Bank zonder motivatie kan beslissen over het wel en wee van een bankier. “De Nederlandsche Bank heeft nu eenmaal zeggenschap over de leiding bij de banken. Daarover moet men niet later kunnen discussiëren. Een fout is alleen dat gegevens over privépersonen in de media zijn gekomen. Zowel de betrokkenen als de bank kunnen niet reageren.”

Ook topmensen in het bankwezen vinden dat in Nederland gentlemen onder elkaar, zonder uitputtende regelgeving, hun oordeel moeten kunnen blijven uitspreken over wat done is en not done. Theoretisch hadden de commissarissen van NMB Postbank de mogelijkheid de beslissing van De Nederlandsche Bank voor te leggen aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Ze griezelen echter bij de gedachte de toorn van het Frederiksplein over zich af te roepen. Vrijwel dagelijks voeren grootbanken en De Nederlandsche Bank immers overleg, waarbij ze zich er wel voor hoeden de centrale bank te mishagen. Geen enkele bestuurder is frustratie van dat overleg waard, menen ondervraagde bankbestuurders, die - in deze context begrijpelijk - anoniem willen blijven.

“Voor een bestuurder die niet met De Nederlandsche Bank overweg kan, blijft alleen de gouden parachute over”, vertelt een bankier over Soetekouw. De NMB Postbank heeft ruime afvloeiingsregelingen getroffen. Zo kon één van de weggestuurde managers zijn VUT-uitkering zeven jaar lang aanvullen tot zijn volledige salaris.

Daar stond tegenover dat, toen De Volkskrant in augustus de vier vertrekkende NMB'ers met een optreden van De Nederlandsche Bank in verband bracht, hun bank niets deed om haar employé's te beschermen. Naar verluidt zouden sommige NMB Postbank-commissarissen grote moeite hebben gehad met het optreden van de Nederlandsche Bank, maar hierover zwegen ze. Evenmin werd gerept over de goedkeuring die Scherpenhuijsen Rom had verleend aan de rekening bij Oudhof. Uit een verklaring die de NMB Postbank enige tijd later onder haar personeel verspreidde, bleek zonneklaar dat ze vóór alles de bank der banken te vriend wil houden.

Hoezeer Scherpenhuijsen Rom beducht is voor de centrale bank bleek uit de haast om een nieuwe compliance regeling in te voeren bij de NMB Postbank. Deze bank heeft inmiddels, voor zover valt na te gaan, de zwaarste van de 41 compliance regelingen. Het houden van aandelen in de vrije hand bij een vermogensbeheerder is één van de nieuwe taboes bij NMB Postbank geworden. In mei motiveerde Scherpenhuijsen Rom de invoering in het personeelsblad met de mededeling: “Wij leven in een glazen huis.”

Die nieuwe, strenge regeling heeft intern voor veel commotie gezorgd; nadat een deel van de employé's aanvankelijk weigerde, hebben ze het stuk inmiddels allemaal ondertekend. Ze hadden moeite met de eis dat de bank niet alleen wil dat hoge employé's zelf vooraf hun aandelentransacties aan de compliance officer melden, maar ook die van eventuele partners en kinderen. Een concurrent meent overigens dat het juridisch onhoudbaar is partners te verplichten aandelen bij NMB Postbank te stallen.

De opschudding was wellicht overbodig. Immers, de NVB heeft een nieuwe regeling in de steigers staan die straks de strenge NMB Postbank-regels kan vervangen. Het voorstel dat de NVB deze maand met De Nederlandsche Bank bespreekt, gaat minder ver. En Scherpenhuijsen Rom weet dat, hij is ook voorzitter van de NVB. Zijn eigen strengere regels worden door collega's opgevat als een hoofse buiging richting DNB.

Welke regels ook worden ingevoerd, niemand kan garanderen dat ze het wantrouwen tegen privétransacties van bankiers oplossen. “Hoe dunner het boek met regelgeving, hoe meer gevoel een bankier ontwikkelt voor wat wel en niet kan”, meent een bankbestuurder.

Als voorbeeld daarvan geldt de situatie bij de ABN, die nooit een echte compliance regeling heeft gekend en toch een uitstekende reputatie had. De fusie met de Amro heeft er nu toe geleid dat de voormalige ABN'ers ook rekenschap afleggen aan een compliance officer, die rechtstreeks rapporteert aan de voorzitter van de raad van bestuur. ABN-bestuurders hebben nog geen regeling hoeven ondertekenen. Alleen hun arbeidscontract bevat enkele globale richtlijnen voor privétransacties.

ABN Amro ontwikkelt wel een nieuwe regeling, die iedere hoge functionaris straks zal moeten ondertekenen. Voor de lagere echelons wordt een "uitgeklede' versie voorbereid. De managers-regeling lijkt minder rigide dan die van de NMB Postbank: ABN Amro-bestuurders mogen in degelijke fondsen beleggen zonder melding. Als ze aan- en verkopen doen in minder degelijk geachte aandelen, moeten ze dat achteraf melden aan de externe accountant. En er is nog een optie, die na de NMB Postbank-affaire opmerkelijk mag heten: ze mogen ook aandelen verhandelen via een vermogensbeheerder, een vrije-handregeling. Hiervoor is goedkeuring verkregen van De Nederlandsche Bank. Maar Wellink heeft niet langer het toezicht het bankwezen.