Het Boston-scenario als schrikbeeld

Het schrikbeeld heet Boston. Tot halverwege de jaren tachtig stond de regio rond deze Noordamerikaanse stad model door de mooie economische opleving die zij doormaakte. Maar toen het economisch wat minder ging stortte de boel als een kaartenhuis in elkaar. Dat komt ervan als je van je economische structuur een zwaar op dienstverlening leunende monocultuur maakt.

Bestuursvoorzitter mr. R. Hazelhoff van ABN Amro haalde dit voorbeeld gisteren aan in een toespraak waarin hij een actievere rol van de Nederlandse overheid in het industriebeleid bepleitte. Hij signaleerde een gevaarlijke paradox. De Nederlandse industrie zorgt voor 70 procent van de nationale export. Maar ondanks deze hoge waarde krijgt deze sector te weinig waardering.

De klacht is niet nieuw, maar het is frappant uit hoeveel kelen zij de laatste tijd klinkt. De omslag van het defensieve steunbeleid (mijnbouw, scheepsbouw, textiel) uit de jaren zestig en zeventig naar een offensieve industriepolitiek is in de jaren tachtig niet goed van de grond gekomen, oordeelde Halzelhoff. Waar het de componenten onderwijs, infrastructuur en loonmatiging betreft, valt het nog wel mee, maar in technologiebeleid schiet Nederland volgens de bankier ernstig tekort, terwijl dat juist wonderen zou kunnen doen. “Een krachtig technologiebeleid verankert industriële bedrijven in de Nederlandse economie, en biedt daardoor de beste garantie tegen de uitverkoop van "kroonjuwelen' en dus voor het behoud van "zelfscheppende' industrie.”

Hazelhoff ziet in de succesvolle aanpak in Duitsland en Frankrijk geen aanleiding ook in Nederland te pleiten voor staatsparticipaties of directe staatssteun. Evenmin spreekt de oprichting van een speciaal fonds voor de industrie hem aan. Maar het instrument van het revolving fund voor de financiering van innovatieve projecten beveelt hij van harte aan. Het voorgefinancierde bedrag wordt dan terugbetaald zodra het project succes boekt. Onder andere bij Fokker en NedCar is het ingezet.

Overgins moet de rol van banken in het nieuwe industriebeleid dat Hazelhoff voor ogen staat beperkt blijven. Niet alleen omdat het "structuurbeleid' van De Nederlandsche Bank het aan banken niet toestaat al te grote belangen te nemen in het aandelenkapitaal van bedrijven, maar ook omdat het volgens de bestuursvoorzitter van ABN Amro niet past in de Nederlandse bancaire traditie om als verschaffer van eigen vermogen een rol te spelen bij het beschermen van de nationale industrie. Daar staat volgens hem echter tegenover dat “de banken soms wel degelijk heel ver” gaan in de tegemoetkoming aan individuele bedrijven.

De topbankier is de zoveelste in een inmiddels indrukwekkende stoet van werkgevers, werknemers, politici en wetenschappers die pleit voor een revisie van het industriebeleid. Het spookbeeld van een land waarin de economische structuur gestaag degradeert tot een voornamelijk op distributie en assemblage gebaseerde industrie, is de afgelopen jaren in vele toonaarden geschetst. De werkgeversorganisaties FME en AWV trokken in 1990 aan de bel met hun pleitnota "Een keuze voor de industrie'. In hun kielzog volgden onder anderen ir. J.W. ter Hart (namens de Nederlandse scheepsbouwersorganisatie Cebosine), dr. A.H.G. Rinnooy Kan (ondernemersverbond VNO), B. van der Weg (Industriebond FNV), drs. J.C. Blankert (christelijke werkgeversorganisatie NCW), Kamerleden als Van Gelder (PvdA) en Terpstra (CDA) en gisteren dus Halzelhoff.

Daarmee lijkt het door de laatste beklemtoonde belang van consensus over het streven om “de industrie hoger op de politieke agenda” te krijgen zich af te tekenen. Waar het dan nog op aankomt is het ook daadwerkelijk te doen en de ziel niet langer in lijdzaamheid te dragen.

Toeval of niet, dat de eerstverantwoordelijke bewindsman voor het verlangde nieuwe technologiebeleid, minister dr. J.E. Andriessen van economische zaken, hamerde daar eerder deze week ook op toen hij zich in de Kamer ernstig bezorgd toonde over de economie. Die bezorgdheid werd hem ingegeven door het feit dat er de laatste maanden nauwelijks een beroep wordt gedaan op de garantieregeling voor participatiemaatschappijen die risico-dragend kapitaal steken in startende ondernemingen. “Er is heel weinig durf bij het bedrijfsleven”, aldus Andriessen. “Dat geeft mij een vervelend, naar gevoel.”

Want de urgente is groot, onderstreepte de technologiebeleid-deskundige A.J.M. Roobeek onlangs in haar column in het economenblad ESB: “De Nederlandse economie kan zich niet permitteren een ingrijpende "upgrading' van de industrie nog langer uit te stellen, omdat uitstel vereikende gevolgen kan hebben voor de aan de industrie gerelateerde zakelijke dienstverlening, de bank- en verzekeringssector, de transportsector en voor een groot aantal kleinschalige toeleveranciers”. Kortom, het Boston-scenario.